dinsdag 4 februari 2014

Genesis volgens de natuurkunde

In den beginne bevond zich God in het middelpunt van het Niets. Het Niets was oneindig, zijn middelpunt was overal en zijn omtrek nergens.

Dit was oorzaak van een oneindige orde, en God sprak de wens uit dat Hij Zijn uitdrukking zou vinden in Chaos, wetmatig zoekende naar Orde, en de Orde zou weer tot Chaos keren, en de Chaos weer tot Orde.

En zo geschiedde het, dat God Zichzelve uitdijde in het Hem omsluitende Niets, dat tegelijk ook door Hem werd omsloten, in één reusachtige klap die alle klappen daarna overtrof. En de eerste dag was er Chaos.

De tweede dag raakten de stof en de krachten welke tot die dag in God verborgen waren, in een zoekende beweging, alsof zij zichzelve tot hun Oorsprong wilden herstellen. Dit was de Wil van God, dezelfde Wil, die Zichzelve de vorige dag in hen had uitgedrukt.

De derde dag splitste God Zijn stof en krachten op in polen die elkander afstoten en aantrekken, aldus vormende de eerste stap op weg naar de Orde, weerkerend naar de Chaos, en de Chaos, weerkerend naar de Orde.

De vierde dag vormden zich in Gods uitdrukking deeltjes, ontelbaar in aantal, die onder invloed van aantrekkende en afstotende krachten zich met elkander verbonden of uit elkander gingen.

De vijfde dag ontstond op vele plaatsen in Gods uitdrukking Chaos die zich uitte in enorme klappen welke ontstonden na aantrekking van vele deeltjes en samenklonteringen van deeltjes. En na de klappen ontstond wederom Orde, en alom was straling van krachtige golven en ballen van reusachtig heet vuur.

Aldus openbaarde Gods grootheid zich aan Hemzelf, en zag God hoe Hij was uitgedrukt. En hij zag, dat het goed was. Maar buiten Zichzelve was er niemand die Zijn grootheid en Deszelfs uitdrukking kon waarnemen. Voor het ontstaan van ooggetuigen, die delen waren van Gods uitdrukking, maar desondanks deze uitdrukking ook konden waarnemen en er zich van bewust konden zijn, waren de zesde en de zevende dag nodig.

De zesde dag had Gods uitdrukking gedurende era's van miljarden en miljarden zonsomwentelingen de gelegenheid gehad in ontelbare cycli van Chaos naar Orde, op vele samenklonteringen van stof, zich tot zichzelf voortplantende klonteringen te ontwikkelen, zo groot was de Orde op die klonteringen geworden. Alles verliep geheel volgens Gods Wil, die in de samenklonteringen aanwezig was als Zijn uitdrukking. De zichzelf voortplantende samenklonteringen gebruikten de krachten en stoffen om hen heen om zichzelve in stand te houden tot hun ontbinding na hun voortplanting.

De zevende dag geschiedde het, dat God Zijn eigen uitdrukking kon waarnemen in een samenklontering die zichzelve kon kennen, zoals God Zichzelve kende. Ook in hem, de mens, en op ander samenklonteringen, die de mens planeten noemde, vond God Zijn uitdrukking van elkaar aantrekkende en afstotende krachten. En God zag wederom, dat het goed was.

De mens echter bevatte weliswaar God, maar was zelf geen God doch onderdeel van Zijn uitdrukking, en ondervond de krachten van afstoting en aantrekking. Geheel zelfstandig, als goden, zocht hij naar harmonie tussen deze krachten en noemde dat "goed". Gebrek aan evenwicht tussen deze krachten noemde hij "kwaad". Maar omdat de mens weliswaar als goden handelt, maar zelf geen God is, verloopt deze zoektocht naar Orde niet zoals God het Zelf gedaan zou hebben, hoewel de zoektocht van de mens wel Gods Wil en uitdrukking is.




dinsdag 28 januari 2014

Oranje: "Ik zal handhaven" ("Je maintiendrai")

Diverse landen hebben koningen of andere adellijke oppergezagsdragers. In het westen, en trouwens ook de keizer van Japan, hebben deze vorsten wettelijk meestal niets in het landsbestuur in te brengen. Hun "gezag" berust op traditie en soms (niet altijd) de verbondenheid van hun familie-geschiedenis met die van het land. Informeel hebben ze vaak wel de nodige invloed, van Wilhelmina van Nederland (we gaan het hier verder over Nederland hebben) is bekend, dat zij stevige invloed probeerde uit te oefenen op onze staatsvorm: zij wilde de parlementaire democratie omvormen tot een ander soort democratie met vertegenwoordigende lichamen uit de maatschappelijke geledingen zoals bedrijfsleven, boeren, enz., dus een soort "standen-democratie", natuurlijk onder het oppergezag van Oranje. Zeer tot haar ongenoegen werd dit door "haar" ministers tegengehouden. Een koning kan ook bepaalde mensen bevoordelen voor bepaalde functies, of juist benadelen. Voorbeeld: Camiel Eurlings werd door Willem Alexander "gepusht" als lid van het I.O.C. Wilhelmina wilde bv. in de buurt van Het Loo geen vluchtelingencentrum hebben voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland tijdens het nazi-bewind. (Juliana had het ook aan de stok met de gemeente omdat zij een bouwvergunning nodig had voor uitbreiding van het zwembad in de tuin achter paleis Soestdijk, maar anders dan bij het vluchtelingencentrum bij Wilhelmina, werd haar wens niet ingewilligd - haar moeder had meer gezag dan zij).

Na Beatrix, die genoot van haar koningschap en dat op voorbeeldige wijze vervulde ondanks diep familieleed met haar vader, haar overleden echtgenoot en haar zoon), kwam Willem-Alexander. Net als Beatrix provoceerde hij de natie met de keuze van een gemalin, die echter net als zijn vader en grootvader dat waren (even los gezien van de schelmenstreken en misdrijven van de laatste), charmant genoeg was om zich bij de oranjeklanten geliefd te maken. Hij is anders dan zijn moeder iemand die het koningschap niet ziet als roeping of hoogste plicht, maar als gewoon een baan. Dat straalt hij uit, maar probeert ook niet net als zijn grootmoeder "zo gewoon mogelijk" te doen. Het hoort nu eenmaal bij zijn baan om het allemaal zo goed mogelijk mee te spelen, en een koning is nu eenmaal niet "gewoon".

Ik zei: "mee te spelen", want dat is het. Alles rond de koning, zijn paleis, zijn familie, het protocol, de hofhouding, het is allemaal een mengeling van "echt" en "spel, zelfs de eed die de kamerleden op hem afleggen hoeft niet als echte eed te worden gezien. Dat wordt "symbolisch" genoemd, maar wat betekent dat woord eigenlijk in deze tijd? Hij is de gouden rand rondom bezoeken van het Nederlands bedrijfsleven aan andere landen, hij geeft de inwoners van de Antillen het gevoel dat ze er ook bijhoren, hij deelt lintjes uit, die als "een grote eer" worden gezien, het leger heeft dankzij hem (symbolisch) bestaansrecht, enzovoort. In de oorlog was Wilhelmina het levende symbool van de haat tegen de bezetter en de hoop op bevrijding.

Wat zouden we zijn zonder Oranje?

Een republiek. Vroeger waren we een republiek, en de Oranjes deden er toen alles aan om meer macht te verwerven, zodat we op zijn minst een vorstendom zouden worden. De Republiek had de Oranjes nodig als legeraanvoerders, maar niet meer dan dat, vandaar dat ze "stadhouder" bleven heten, naar hun vroegere functie toen de Habsburgers nog de baas waren over de Nederlanden en ze daar stadhouders nodig hadden als een soort commissarissen van de koning. Telkens liepen de pogingen spaak om als vorst over de Nederlanden te heersen, hoezeer ook Maurits en de Oranjekoning van Engeland, tevens stadhouder Willem III in de Nederlanden, daar hun best voor deden.
De Republiek zorgde voor de welvaart en het geld, en de Oranjes voor de krijgskunst om die te verdedigen, en die twee leefden niet in vriendschap maar in afgunst. Pas in 1747 werd Willem IV erfstadhouder, een soort vorstelijke titel. De titel "prins van Oranje" werd betwist, ook de koning van Pruisen eigende haar zich toe, maar maakte er verder geen gebruik van. Waren de Oranjes aanvankelijk geliefd bij het gewone volk dat zich door de regenten-elite uitgebuit voelde, later, na Willem III, was Oranje meer verbonden met de elite die, nu Nederlands rol op het wereldtoneel sterk was verminderd, via Oranje haar lucratieve baantjes en ambten onderling verdeelde, want geld was er nog zat, niet in het minst bij de Oranjes. Als reactie hierop ontstond de patriotten-beweging, die naar het Franse voorbeeld de republiek wilde herstellen, en Willem V vluchtte naar Engeland. De Bataafse republiek werd gevestigd, en de Franse tijd brak aan. Sindsdien bleef Oranje tot Wilhelmina een vorst voor de elite, maar de elite deed wel haar uiterste best om Oranje "in de markt te zetten" als vorsten van het volk, wat op den duur aardig lukte. Troelstra's revolutie-poging werd erdoor afgewend, met veel "volksvertoon" op het Malieveld, en steun vanuit vooral de protestantse kerken, die Oranje gebruikten als bolwerk tegen het Roomse gevaar. Zowel kerk als "kapitaal" schaarden zich rond Oranje om ook het rode gevaar af te wenden, en zo kon Wilhelmina haar bezielende woorden vanuit Londen prima inzetten tegen het Nazi-gevaar. Na de oorlog was Oranje het nationale symbool bij uitstek geworden.

Echter, haar grootvader koning Willem II moest buigen voor een ongehoord ver-gaande nieuwe Grondwet. Bevreesd voor revolutionaire woelingen in Europa, had hij een commissie benoemd voor herziening ven de Grondwet onder leiding van de geniale Thorbecke, die dit gevaar moest keren.

Deze commissie presenteerde een nieuwe Grondwet, die de koning beroofde van praktisch alle politieke macht. Echter, de koning had geen keus: het was slikken of stikken. Als hij had geweigerd de nieuwe Grondwet te tekenen, was de kans groot dat hij eenvoudig was afgezet. Een volksopstand had dit waarschijnlijk niet uitgelokt, daarvoor was het koningschap nog te jong, en de elite had er bovendien genoeg van en koning bijvoorbeeld ongestraft de staatskas naar believen kon aanwenden voor persoonlijke doelen, of voor die projecten die hem goeddunkten (bijvoorbeeld het aanleggen van spoorwegen, het graven van kanalen enz), of dat de koning naar eigen believen landsdelen kon ruilen met andere vorsten, zoals Limburg voor Luxemburg. Ook kon de koning met de koloniën doen wat hem goeddunkte, Willem I bijvoorbeeld spekte zijn privé-kas met slaven- en opiumhandel in Nederlandsch Indië, waarover hij het oppergezag had. Willem II was zeer gesteld op het enorme vermogen dat hij van zijn vader had geëerfd, en een Republiek zou zeker hierop beslag leggen wanneer hij de nieuwe Grondwet niet zou tekenen. Liever een vorst zonder macht dan zonder geld moet hij gedacht hebben, toen hij in 'korte tijd van fel tegenstander tegen de Grondwetsherziening, fel voorstander was geworden. Bij mijn weten is er geen verslag van de gesprekken die toen hebben plaatsgevonden, maar in elk geval stelde Willem II een commissie in die de bestaande Grondwet, die de koning veel macht gaf, moest herzien. Per slot van rekening had ook de toenmalige elite belang bij het voortbestaan van het koninkrijk, wat een verlies aan banen zou er niet plaatsvinden bij een revolutionaire vestiging van een republiek, en had niet de elite de vader van Willem II gesmeekt om vanuit Engeland naar Scheveningen te zeilen en hier het soeverein vorst-schap op zich te nemen?

Wat betekent deze geschiedenis nu voor  de Oranje-familie en haar band met het volk in deze tijd, nu Willem-Alexander koning is?

Bijna niets. Het zijn leuke verhalen, leuk om te weten, maar niet essentieel. Ook als Willem II een tiran zou zijn geweest, een ruwe dictator, die ondanks revolutionaire woelingen erin geslaagd zou zijn koning te blijven, was Oranje in 2014 populair. Maurits onthoofdde Oldenbarneveldt, en stadhouder Willem III keurde goed dat de gebroeders De Witt gelyncht werden, koning Willem I verarmde het land en verspeelde België met zijn openlijk protestantse voorkeuren, koning Willem III was een halve gare barbaar (daarom wil Willem Alexander geen Willem IV heten), de prinsen Hendrik en Bernhard liepen rokken achterna en waren kampioen-schuldenmakers en fraudeurs, het geeft allemaal niets.Ook niet, dat het Beatrix sierde dat zij haar kroonprins "Willem-Alexander" noemde, als en soort eerherstel voor de ziekelijke kroonprins van Willem III, die door zijn vader op onvoorstelbaar schandalige wijze was behandeld. Alexander? Wie is dat? O, die van de televisie-serie, wat voor prins was dat ook alweer?

De populariteit van Oranje is het resultaat van een intensieve reclame-campagne die sinds de regeerperiode van koningin-regentes Emma over het volk is uitgestort door de protestantse en liberale elite, als psychologische beschermingsdeken tegen allerlei grote buitenlandse gevaren: het Roomse gevaar en het Rode Gevaar waren daarvan de voornaamste. Vakbonden en de opkomende S.D.A.P., de voorloper van de PvdA, en Rome waren daarbij de boemannen. Na de Rooms-katholieke emancipatie voegde ook de katholieke elite zich in die rij van Oranje-aanbidders, met het oprichten van RK werkliedenverbonden en liefdadigheids-instellingen, zoals de protestanten die ook hadden. In het geheim was voor de echte katholiek echter de paus belangrijker dan Oranje, zo niet bij de oprechte protestant, die Oranje bleef zien als de kracht die het verderfelijke Roomse geloof het land uitdreef. Wilhelmina toonde zich ook een fel bestrijdster van het nazisme, ondanks haar goedkeuring van prins Bernhard als gemaal voor haar dochter, met zijn Duitse CV, dat sympathie voor het nazisme liet zien. Zelfs benoemde zij hem tot opperbevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten in de tijd rond de bevrijding, want ze had in de gaten dat hij, eenmaal prins-gemaal, een Oranje was geworden en als zodanig niet kon worden bekritiseerd, maar op populair makende posten moest worden benoemd.

Sinds die tijd vertoont Oranje, of liever vertonen haar beschermers, de maatschappelijke elite van politiek en zakenleven, een perfecte feeling voor de maatschappelijke krachten die haar op de troon houden en haar positie versterken. Haar familie-geschiedenis is daarbij niet belangrijk, maar wel hoe ze overkomt in een bepaald tijdsgewricht. Zo is nu de tijd van gevaarlijke vakbonden, socialisme en communisme voorbij, en staan economie en commercie op de eerste plaats. Zo ga je inzien, hoe de maatschappelijke elite Oranje voor zijn doeleinden blijft gebruiken, zoals ze dat sinds stadhouder Willem IV al gedaan heeft. Je kunt vraagtekens stellen bij de laatste staatsbezoeken van Beatrix, als je je dat niet voor ogen houdt: ze ging naar steenrijke olievorstendommetjes, waarvan je je af kunt vragen wat Nederland daar nou mee heeft, en ook Willem-Alexander is al bij Putin geweest. Amusement en volksvermaak zijn in deze tijd ook erg belangrijk, zie de feestvierderij en het "Droomboek" (!) rond de inhuldiging van .Willem-Alexander, en de traditionele koninginnedagvieringen. Ook zal Willem-Alexander breed aanwezig zijn op het commerciële amusementsfestijn van de Olympische Winterspelen 2014.

De PR voor Oranje uit zich vooral in de manier waarop de jeugd er kennis mee maakt.  Als je kinderen ergens voor wint, of een bepaald beeld voorhoudt, blijven ze dat hun hele leven diep van binnen met zich meedragen. Kinderen kennen koningen uit sprookjes en hebben daar een mooi plaatje bij van rechtvaardigheid, oppermacht, belangrijkheid. En wat zegt de juf op school? Wij hebben óók een koning! En de kinderen op christelijke scholen weten, dat ook Jezus "koning" wordt genoemd. "Gelukkig" hebben ook moslim-kinderen uit Marokko in hun land een geliefde koning, zodat ze met dit begrip ook mooi uit de voeten kunnen, zelfs meer dan met een koningin. Nu, in 2014, wordt koningsdag op een andere datum gevierd dan onder Juliana en Beatrix gebruikelijk was, en staan de kranten alweer vol met bezorgde artikelen over scholen die dan wegens vakantie dicht zijn, en hoe dat dan moet, want een school kan natuurlijk niet zonder koningsdag-spelletjes.

De bescherming van Oranje door politiek en zakenleven gaat zeer ver. Zodra de koning iets politieks zegt of doet, of zodra ruzie of disharmonie binnen de Oranje-familie naar buiten komt, valt al gauw het woord constitutionele crisis. Ook is uitvoerig bij wet geregeld, wie er moet opvolgen of regent zijn wanneer de koning onverhoopt niet meer zou kunnen "regeren". Enkele recente voorbeelden die voor beroering zorgden zijn de keuze van de dochter van en Argentijnse fascist als gemalin, (minister van Staat Max van der Stoel ging naar de aanstaande schoonvader om hem ervan te weerhouden bij het huwelijk aanwezig te zijn), de Lockheed-affaire en de zaak rond gebedsgenezeres Greet Hofman. Ook de té pacifistisch gevonden redevoeringen van Juliana voor de V.N. zorgden voor kromme tenen. Bernhard vond dit schandalig, en dat zorgde weer voor gespannen verhoudingen ten paleize, later kreeg hij zelf een affaire aan zijn broek, die door de politiek met de grootste omzichtigheid werd behandeld. Gezucht en gesteun bij de politiek ook weer bij de rechtszaak van de nicht van de koningin en haar man tegen haar tante.

Het volk maakt dit alles niet zoveel uit, het hoort nu eenmaal bij het leven van een super-rijke familie, en het aanzien van Oranje wordt er niet of nauwelijks door verstoord. Integendeel, men leeft mee, zoals men meeleeft met de mensen in een TV-serie.

Wat is dat toch, die overbezorgdheid van vooral de politiek, om een koninkrijk te behouden onder een koning die vrijwel niets heeft in te brengen in het landsbestuur, hoewel hij daar wel het opperhoofd van is? Waarom grijpt de politiek niet de eerste de beste gelegenheid aan om er een eind aan te maken? Allereerst natuurlijk de vrees voor stemmenverlies, en ten tweede het landsbelang in economische zin, tot uiting komend in lucratieve opdrachten na een staatsbezoek.

1. Vrees voor stemmenverlies.

Het klinkt paradoxaal, maar hoe minder macht de koning in het landsbestuur heeft, des te machtiger wordt hij in het land zelf, als schijnbaar noodzakelijke voorwaarde voor een goed bestuur. De koning mag niets zeggen dat politiek beladen is, andersom mag een kamerlid bij stilzwijgende afspraak niets kritisch over de koning of het koningshuis zeggen. Beide zijn eigenlijk een onjuiste interpretatie van de grondwettelijke bepaling dat de koning onschendbaar is, en de ministers verantwoordelijk. Stel de koning zegt iets politieks, bijvoorbeeld een mening over de bezuinigingen, of over welke kant het op zou moeten met Europa. (Beatrix heeft al eens voorzichtig iets algemeens over Europa gezegd, wat zonder gevolgen bleef). Dat kan twee soorten gevolgen hebben:
a. De minister is verantwoordelijk, de koning onschendbaar. De oppositie gaat in de Tweede Kamer vragen, of de minister het eens is met de koning en zo ja, waarom en zo nee, waarom niet.  Dit heeft louter het karakter van politieke profilering, want de wens of het idee van de koning heeft op zichzelf geen politieke gevolgen: de koning kan geen wetten indienen of wijzigen, laat staan afkondigen. Zijn handtekening onder wetten is puur decoratie. De minister zal gewoon antwoorden en hoogstens zeggen dat het de persoonlijke mening van de koning is, die mag hij hebben, en de Kamer gaat over tot de orde van de dag.
b. Omdat de koning populair is en puur ook omdat hij staatshoofd is, kan hij met het uiten van een politieke mening wel de verkiezingsuitslag en dus de mening van kiezers beïnvloeden, en dat is uit den boze, want hij is koning voor alle Nederlanders. Het staat nergens in de Grondwet, maar de koning wordt bij ongeschreven wet geacht "boven de partijen" te staan. Alleen in het aller- aller-uiterste extreme geval, als Nederland bijvoorbeeld wordt bezet door een buitenlandse mogendheid of wanneer half Nederland overstroomd wordt, enz. wordt van hem een mening verwacht. Ik ga hier straks nog even op door, nu volsta ik met de constatering dat hij altijd zijn mond houdt over politieke aangelegenheden, omdat hij volgens een ongeschreven wet "boven de partijen" staat, en dat zijn zwijgen hierover niet wordt bepaald door de geschreven wet dat hij onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk.

2. Het landsbelang in economische zin.

De economie van het land is sinds enkele decennia de voornaamste reden geworden voor een staatsbezoek.  Staatsbezoeken zijn uitgebreide manifestaties, en zijn in de negentiende eeuw ontstaan, met de uitbreiding van de reis- en transportmogelijkheden. Daarvóór reisden vorsten voornamelijk incognito, als ze al op reis gingen, wat een zeldzaamheid was. Staatsbezoeken worden langzamerhand noodzaak gevonden, omdat alle belangrijke landen elkaar op die manier bezoeken, en het vreemd wordt gevonden om daar als land niet aan mee te doen, je zou dan minder meetellen. Vooral als het een vorst betreft, zijn staatsbezoeken enorm kostbaar en uitgebreid, een vorst haalt alles uit de kast om "indruk te maken". Het niet indruk willen of kunnen maken door de ontvangende, maar ook de bezoekende vorst, kan als onbeleefdheid of karigheid worden opgevat, en dat moet natuurlijk ten koste van alles worden vermeden. Alleen Wilhelmina hield niet van staatsbezoeken, slechts enkele landen mochten zich in haar bezoek verheugen, waaronder België. Juliana en Beatrix daarentegen bezochten een lange lijst van landen, het bezoek aan Engeland wordt in Wikipedia beschreven als bijzonder uitgebreid en luxueus, met het overvliegen van 110 personeelsleden en een overvloed aan maaltijd-ingrediënten en tafelgerei. Critici stellen vragen bij het economisch nut van staatsbezoeken. Weliswaar volgen uit een staatsbezoek nuttige economische contacten, maar de vraag is of zij zonder zo'n bezoek niet evengoed tot stand gekomen zouden zijn, wat zeker geldt voor bezoeken aan en van Europese landen. Ik neig ertoe om het verschijnsel "staatsbezoek" te zien als overblijfsel van de grote staat die vorsten voerden toen ze nog wat hadden in te brengen. Ze zijn "symbolisch" geworden, en dat heeft ook weer te maken met ongeschreven regels.

Conclusie: Het Nederlandse koningschap  is met de Grondwet van 1848 gereduceerd van  reëel vorst tot "ere-staatshoofd" dat in naam staatshoofd is, en net als daarvóór erfelijk blijft en dat een vorstelijke staat mag voeren (bijvoorbeeld het bezit van een enorm en geheim privé-vermogen, en vorstelijke staats-uitkering voor alle individuele leden van het koningshuis en het niet hoeven betalen van belasting) en gunsten zoals onderscheidingen kan uitdelen, een bijzondere band met het leger en het aanwezig zijn bij nationale evenementen. Niettemin blijft het een verankering van de nationale identiteit, dankzij de grote eerbied die allerwegen voor de vorst en zijn familie wordt betoond, en die louter is gebaseerd op het lidmaatschap van die familie. Nog steeds zien we in Nederland de oude koning Willem I, maar dan zonder diens macht. De elite heeft sinds de revolutionaire beroeringen in het midden van de negentiende eeuw naar het volk toe angstvallig het beeld van een almachtig en alwijs vorst, de opvolger van Willem van Oranje, besluitvaardig, barmhartig en daadkrachtig, in stand gehouden, en de liefde voor Oranje te allen tijde gepredikt.  In landen waar de maatschappelijke elite dit verzuimde, zien we ook wankele vorstenhuizen, zoals in België en Spanje. Na de vreselijke koning Willem III moest een dergelijke blunder worden voorkomen om dit beeld te herstellen, en Wilhelmina werd inderdaad de kordate en besluitvaardige vorstin die men voor ogen had. Zij was ook het voorbeeld voor Beatrix, die zich geërgerd moet hebben aan de gewoonheid, het pacifisme en het openstaan voor spirituele invloeden van haar moeder.

De koning politiek boven de partijen? We hebben gezien, dat Oranje vooral is opgehemeld en ondersteund in eendrachtige samenwerking tussen de protestantse kerken en de liberalen, en het vermoeden is zeer gewettigd, dat dit gebeurde om eerst de revolutionaire republikeinen, en later de socialisten te bestrijden. Wie tegen Oranje was, was zo'n beetje een landverrader, ook al had de vorst, het zij herhaald, staatsrechtelijk niets in te brengen.

De Roomse en socialistische bedreigingen zijn anno 2014 verleden tijd, maar Oranje is intussen traditie geworden, een onderdeel van de nationale identiteit. Hoewel in de eerste decennia van het koninkrijk het de gewoonste zaak van de wereld was (hoewel niet in dank afgenomen) om kritiek te hebben op het koningschap (als het maar geen majesteitsschennis werd, dat was strafbaar), is dat nu een marginaal verschijnsel geworden, dat tot arrestaties leidt van kleine groepjes vreedzame demonstranten die voor de Republiek pleiten tijdens een openbaar Oranje-festijn, en het buiten-proportioneel zwaar straffen van een zonderling die tijdens een jaarlijks theaterstuk ("Rit naar de Staten-Generaal") een theelichtjes-houder naar de Gouden Koets wierp. Deze man herinnerde terecht aan de vele kinken en losse schakels in de afstamming van de Oranjes, maar werd daarin steeds genegeerd: men wil gewoon niet horen of publiceren, dat de huidige "Oranjes" gewoon nakomelingen zijn van lagere Duitse adel, en al helemaal niet van Willem de Zwijger, en dat de mannelijke overdracht van de familienaam bij speciale wet voor de Oranjes niet geldt, maar voor iedere andere Nederlander of Nederlandse tot voor kort wel. Oranje is volksvermaak geworden, of, als men dat te oneerbiedig vindt, een stukje Nederlands cultureel erfgoed, goed om enkele malen per jaar een theaterstuk op te voeren, vorstelijk betaald en als staatshoofd geëerbiedigd en door het volk toegejuicht te worden.

dinsdag 21 januari 2014

Storm in islamitisch glas water, de VVD blaast hard.

In Nederland heb je universiteiten op levensbeschouwelijke grondslag. Enkele daarvan hebben hun "geloof verloren" zoals de voormalige Radboud Universiteit (vroeger R.K.) in Nijmegen. Nog steeds hebben we de Vrije Universiteit (prot.-chr.) en de Katholieke Universiteit Brabant. In de jaren van de verzuiling waren dat bolwerken van hun geloof, en hoogleraren, rectoren en bestuurders werden door hun kerken geprezen om de godsdienstige uitspraken die ze deden. Soms waren dat zeelfs uitspraken die tegen de officiële leer ingingen, zoals die van prof. Schillebeeckx in Nijmegen.
Nu is er, omdat we het beginsel hanteren van "gelijke monniken, gelijke kappen", ook een Islamitische Universiteit bijgekomen, in Rotterdam. Omdat daar de rector iets godsdienstigs heeft gezegd, gaat de VVD nu met vuur spelen. Dat wil zeggen, hij geeft de omstreden premier van Turkije, die altijd roept dat buitenlandse machten zijn gezag willen ondermijnen, een voorzet voor open doel om weer eens beschuldigend naar Nederland te wijzen, waar ze ook moslim-kinderen godbetert bij heidense homo-ouders onderbrengen. Eerder heeft hij daar al waarschuwend de vinger tegen opgeheven, waarop veel van zijn aanhangers de straat opgingen om tegen dit goddeloze Nederlandse beleid te demonstreren. Wat heeft die "fanatieke" rector van de Islamitische universiteit dan gezegd, in juni nota bene, waar de VVD zo boos om wordt? "Wij vervullen onze heilige taken in gunstige zin. Maar helaas zet onze plicht om alle negatieve krachten te verijdelen ons soms aan tot ongunstige daden". Hij zei dat ten tijde van de demonstraties tegen de voortgaande islamisering van Turkije tegen Erdogan, in juni, en het was een citaat van een moslim-theoloog uit de vijftiger jaren of zo. De VVD is nu bang, dat deze woorden een goedkeuring inhouden van islamitisch geweld. Beste VVD, denk na over wat u doet: het is een islamitische universiteit, en van een islamitische universiteit kunt u islamitische uitspraken verwachten, net zoals u van een christelijke universiteit christelijke uitspraken kunt verwachten. Deze uitspraak had trouwens net zo goed christelijk kunnen zijn. En als je goed leest, zie je er en afkeuring in van "ongunstige daden". De heilige plichten "zetten ons soms aan" tot ongunstige daden, ze "rechtvaardigen" ze niet, en zee maken ze ook niet tot "gunstige daden".

Of, VVD, wilt u in de aanloop naar de verkiezingen, het PvdA-minister van buitenlandse zaken Timmermans, het weer moeilijk gaan maken, en PVV-stemmers overhalen om weer VVD te gaan stemmen?

woensdag 18 september 2013

Multinationals, banken en beleggers, en ons interne belastingsysteem

Het belasting- en bekostigingssysteem is vreselijk ingewikkeld. Meer dan de helft van de het belastinggeld wordt uitgegeven aan loonkosten van ambtenaren, uitkeringsgerechtigden en gesubsidieerde instellingen. Die betalen ook belasting, misschien wel een derde van alle opgebrachte belastingen. Zo wordt de staat een geldpomp van lonen en uitkeringen. In de loop van zo'n 100 jaar is dit systeem zo gegroeid.

Dee bedrijven produceren goederen en diensten, en veel van die goederen en diensten worden verkocht aan de overheid, dus die bedrijven ontvangen ook belastinggeld (wat de overheid overhoudt na aftrek van de loonkosten en uitkeringen), maar betalen het ook weer (vennootschapsbelasting, winstbelasting enz.) en de uitkeringen en lonen gaan voor een deel ook naar de bedrijven via kopende loon- en uitkeringstrekkers (na aftrek van wat die aan belasting en premies betalen).

De staat is een soort computer die uitrekent hoeveel u en ik mogen kosten aan levensonderhoud, en de rest gebruikt voor "dingen die nodig zijn in het algemeen belang". Zo is het, en niet andersom zoals men het vaak doet voorkomen, wat dat betreft verschillen we weinig van en socialistische staat. Welke instanties, organisaties en instellingen daarvan hoeveel krijgen, wordt in de politiek bepaald. Het gevaar bestaat, dat hierbij gediscrimineerd gaat worden: o, die en die hebben minder nodig, dus die kunnen nog wel wat meer bijdragen. Of: die en die hebben meer nodig, dus die hoeven minder bij te dragen en/of krijgen meer. Zo zullen binnenkort de ouderen wel extra worden aangepakt, want statistisch onderzoek heeft uitgewezen dat die met z'n allen meer geld hebben dan niet-ouderen. Zo heb je ook minimumlonen, minimum-jeugdloon, en had je vroeger vrouwenlonen.

Door te bezuinigen, gaan er veel banen verloren en komen veel mensen in een uitkeringssituatie. Daardoor komt er ook minder belastinggeld binnen. Helaas, het is niet anders, zegt Rutte, want er is niet genoeg belastinggeld om alles wat de overheid moet bekostigen, te betalen. Dat klopt niet met het systeem. De overheidscomputer piept namelijk, dat er meer mensen en baan moeten hebben, anders komt er nog minder geld binnen dan we al hadden en moeten we meer aan uitkeringen uit gaan geven.

Er is maar 1 conclusie mogelijk: er zijn machten aan het werk, die het geen reet kan schelen of mensen en baan hebben of niet, en of mensen en zorgsysteem hebben of niet, en of mensen onderwijs hebben of niet enzovoort. Die machten willen NU poen, en of ze dat in Nederland of Europa of in China moeten halen, zal ze worst zijn. Deze machten kunnen niet door onze regering gestuurd worden: als er iets gebeurt wat ze niet bevalt, gaat hun geld gewoon ergens anders heen. Dat is ook de oorzaak van de crisis, en ook waarom banken nu bijna geen geld meer lenen aan ondernemers en hypotheekvragers. Sinds de staat ze heeft opgekocht, moeten ze zaken doen in verre landen, want daar valt meer te verdienen dan hier. De pensioenfondsen en particuliere miljonairs en miljardairs hadden dat ook al door. Wij moeten gewoon ons best doen om voor hen weer aantrekkelijk te worden: en kleinere overheid, minder dure voorzieningen die niks opleveren dan de schamele koopkracht van hen die bij die voorzieningen werken (dus alleen indirect en op langer termijn aantrekkelijk voor het multinationale bedrijfsleven en de geldhandel), en dus minder belasting.

En de hele wereld kijkt naar die machten, en politici zitten tussen twee krachten: die van de kiezers, grotendeels niets-hebbers die op rechtvaardige manier behandeld willen worden, en die van de rating-bureau's en Brussel, die bepalen hoeveel rente er betaald moet worden op onze staatsleningen. Als de staat vandaag zeegt: we gaan de werkgelegenheid stimuleren door een begrotingstekort van 10% in te boeken, dan kunnen de internationale geldleners niet wachten tot er genoeg belastinginkomsten zijn om de begroting sluitend te maken, ze zeggen zoek het maar uit en vraag maar geld aan de Europese Bank, maar niet teveel, wat anders gaan we naar Amerika, daar trekt het weer lekker aan dankzij de oliedollars. Want weet u, dank zij het feit, dat olie door de hele wereld in dollars moet worden betaald, ongeacht de waarde van die dollar, heeft Amerika nog een extra inkomstenbron bovenop de belasting, en gaat een deel van de prijs die bv. Nederland voor olie betaalt, via de conversie van euro naar dollar, richting USA. Daarom drukt men daar driftig dollars bij, iets wat voor de euro rampzalig zou zijn.

woensdag 31 juli 2013

OPDRACHT



Ik zie gestalten aarz'lend naderkomen,
Die 'k vroeger, onbevangen, heb gekend.
Zou 'k nu dan trachten om u vast te houden,
Voel ik mijn hart nog tot die waan geneigd?
U houdt maar aan, laat ik u dan vertrouwen;
Mijn borst voelt plotseling een jeugdig beven
Voor toverschijnsels die uw stoet omgeven.

U brengt mij beelden uit plezier'ger dagen,
En menig dierbaar weerzien doet zich voor;
Het is een oude, half verklonken sage
Waarin de eerste liefde wordt bemind;
De pijn wordt nieuw, herhaald wordt ook het klagen
Verdwalend door des levens dichte labyrinth,
U noemt de goeden, die door ijdel streven
Naar wat geluk, verdwenen uit mijn leven.

Zij horen niet meer wat ik nu ga zingen,
De zielen, ooit genietend van mijn zang.
Uiteen is nu het toen zo vrolijk dringen,
En wat ooit klonk, gestorven, ach, zo lang.
Voor onbekenden zijn mijn droeve dingen,
Hun lof zelfs maakt mij in gemoede bang.
Mocht verder iemand nog mijn lied waarderen,
Als hij nog leeft, ver weg zal hij mij eren.

Mij dwingt een lang ontwende wens te wonen
In dat zo stil en ernstig geestenrijk,
Nu zweeft op aarzelend verwaaide tonen
Mijn fluist'rend lied, Aeolus' harp gelijk.
Een huiv'ring wil met tranen mij belonen,
Mijn strengheid neemt voor mildheid nu de wijk;
En het nabije is tot nevelvorm vervlogen,
Het verre staat mij helder nu voor ogen.

Een democratische reactie op het libertarisme

Na lezing en overdenking van het libertarisch "pamflet" van "De democratie voorbij" van Frank Karsten en Karel Beckman kom ik tot de conclusie dat veel van hun kritiek op de parlementaire democratie terecht is, maar dat (1)  een aantal kritiekpunten onterecht zijn (bijvoorbeeld dat de moraal ten prooi valt aan de wet van de meerderheid) en (2) zij een utopische oplossing nastreven in de vorm van een soort staat die niet parlementair-democratisch is, maar het aan mensen zelf overlaat hoe zij met elkaar in vrijheid en in kleinschalig regionaal verband samenleven. Ik kan mij met de beste wil van de wereld niet voorstellen hoe dat dan zou moeten zonder enige vorm van overheidsdwang, en zonder dat "het recht van de sterkste" de overhand zal nemen. Ken uzelve, zei Socrates, maar ook: Ken de mens.

Wel denk ik dat we aan ons parlementair-democratisch systeem het een en ander moeten veranderen willen we tot een betere samenleving komen voor de toekomst. Ons systeem stamt uit de negentiende eeuw, en er is sindsdien veel veranderd. Ik denk dat het goed is om weer terug te gaan naar 1945, toen we begonnen met de wegen in te slaan die tot de huidige crisis hebben geleid. Sinds die tijd werden verschillende wetten ingevoerd die ons hebben verwend. Het is beter om iemand te leren vissen, dan om hem vis te geven. Dit spreekwoord is herhaaldelijk met voeten getreden. De regeringen konden alleen maar geven, het geld kwam als manna uit de hemel vallen, want de economie moest helemaal van de grond af worden opgebouwd, en dat gebeurde ook met veel voortvarendheid. Niet alleen regeringen, maar ook grote staats- en particuliere bedrijven stimuleerden niet tot zelfdoen, maar deelden uit. Zoals de Staatsmijnen, de textielindustrie, Philips (dat grote belastingvoordelen kreeg), de PTT, enz. Zij hadden allemaal (huur-)woningen, verenigingen, zorg-organisaties enz. voor het eigen prsoneel. De grootste voorloper van het CDA, de KVP, vond dat het eigen woningbezit moest worden gestimuleerd. Dit werd niet bereikt door spaar-aanmoediging, maar door aftrek van hypotheekrente van de inkomstenbelasting. Zo zorgden Rooms-rode kabinetten ook voor de AOW als algemeen staatspensioen voor iedereen, ongeacht rijk of arm, een WAO, die later onbetaalbaar bleek te zijn omdat werkgevers er hun overtollig personeel in dumpten (een hazenlip of kromme teen was al voldoende voor een WAO-uitkering) en natuurlijk veel, zeer veel subsidies waar je nu van je stoel af zou vallen als je ervan hoorde. Ambtenaren werden extra riant behandeld en hadden bv. eigen zeer gunstige ziektekostenverzekeringen en konden niet worden ontslagen tenzij misdaad in het spel was. Boeren kregen ook een voorkeursbehandeling, dankzij de voorloper van de EU, de EEG. Dit leidde tot grote melkplassen en boterbergen. De VVD, kan ik me herinneren, was hier fel op tegen, en rekende voor dat het grootste deel van de boeren voor niets werkte en hun boven-modale inkomsten uitsluitend uit subsidie verkregen: het was goedkoper hun een werkloosheidsuitkering te geven dan ze aan het werk te houden. Kortom, luilekkerland.

Pas in 1978 begonnen enkele top-politici in te zien dat het zo niet verder kon. Wikipedia schrijft hierover: "Bestek'81 was een nota die in de zomer van 1978 werd uitgebracht door het Nederlandse kabinet van Agt-Wiegel. Bestek'81 beschreef het voorgenomen sociaaleconomisch beleid tot en met 1981. Centrale punten waren de ontkoppeling van de uitkeringen en de overheidssalarissen van de loonontwikkeling in het bedrijfsleven. Ook moest de markt meer ruimte krijgen.
Het plan stuitte op hevig verzet in de samenleving. Van de uitvoering kwam weinig tot niets terecht, ook al omdat de fractievoorzitter van het CDA Ruud Lubbers de tijd er nog niet rijp voor achtte. Na twee jaar kreeg de minister van Financiën Frans Andriessen er genoeg van. Hij diende in 1980 zijn ontslag in; hij kon naar eigen zeggen zo niet werken."

Nog steeds, zo zeggen de libertariërs, vinden politieke partijen hun bestaansrecht niet in het stimuleren en aanmoedigen, maar in het geven. Dat komt ook door de Grondwet, die de overheid verplicht zich te bemoeien met allerlei zaken die mensen best zelf kunnen regelen zoals onderwijs, zorg, "volkshuisvesting" (het woord alleen al, het suggereert dat "het volk" door de overheid "gehuisvest" wordt) enz. Bovendien willen politici en politieke partijen graag herkozen worden, hun verkiezingsprogramma's staan vol mooie beloften waarvan de meeste niet waar gemaakt kunnen worden in vier jaar. Wanneer een partij een succes behaalt, schrijven zij dat zichzelf toe, en bij falen wordt het anderen toegeschreven. Veel beloften in deze tijd van crisis slaan op het behoud van voorzieningen aan de ene kant, terwijl er diep gesnoeid moet worden aan de andere kant. De kiezers "zappen" wanhopig van de ene partij naar de andere, of gaan gewoon niet meer stemmen. Natuurlijk komen steeds die partijen als winnaars uit de bus, die tekeer zijn gegaan tegen het "wanbeleid" van regerende partijen, maar zelf in de oppositie konden blijven zitten. De PVV heeft dit scherp ingezien, en komt bij de eerstkomende verkiezingen als anti-Europa- en buitenlanderspartij en beschermer van de ouderenzorg als grootste uit de bus. Ik wed dat ze echter niet gaan mee-regeren, zodat ze hun rol als roeptoeters en vertolkers van de frustraties van hun kiezers gewoon kunnen blijven voortzetten.

Geef ze eens ongelijk. De PVV maakt handig gebruik van het falen van het uitdeelbeleid en de verstikkende bureaucratie, alsmede van het onderschatten van "Europa" als ondergraver van de statelijke soevereiniteit door de traditionele partijen. We zijn nu het teveel aan krediet dat we sinds de 50er jaren in zalige naïviteit hebben opgebouwd, aan het terugbetalen. Ik doe de volgende suggesties om hieruit te komn:

1. Begin met een stimuleringsbeleid zodat mensen alternatieven krijgen in plaats van dat ze alleen maar iets wordt afgenomen. Die alternatieven moeten zijn gericht op kleinschalige samenwerking, duurzaamheid en vermindering van bureaucratische controle en regels. Zoals het werken met regionale vormen van geld, andere woonvormen, tot zelfs tenten toe, buurtgerichte thuiszorg los van grote zorgbedrijven, indicatiestellingen en time- and motion-studies voor zorgwerkers, het vereenvoudigen van het starten van een eigen bedrijfje door simpeler vergunningenbeleid en belastingvereenvoudiging, het toestaan van "vrije markten" op aangewezen locaties, kortom, het stimuleren van plaatselijke en kleinschalige economische activiteit. Ook innovaties, en vooral op het gebied van duurzaamheid, moeten worden gestimuleerd. Maak als leidraad van beleid niet"geven en nemen" maar "stimulering tot zelfwerkzaamheid en duurzaamheid".

2. Trek u niets aan van ambtenarenbonden maar kleed de managers-koninkrijken en de bureaucratie op de ministeries via gerichte wetgeving uit. Verlaat het zoeken naar draagvlak voor bezuinigen, dat leidt alleen maar tot niet-bezuinigen. Kwantitatieve controle als basis voor financiering (bv. in de zieken- en bejaardenzorg) werkt contra-productief, net als de verfijning van indicatiestellingen. Financier niet op basis van verrichting of bezet bed, dat leidt tot hogere kosten in plaats van lagere. Financier ook het onderwijs niet op basis van aantallen geslaagden in vier of vijf jaar, dat leidt tot diploma-inflatie en niveau-verlaging. Vertrouw op vakmanschap en professionaliteit van zorgers, artsen en docenten, een verplicht ze tot periodieke bijscholing en (mede) collega-beoordelingen. Privatiseer liever (een deel van) het onderwijs, c.q. maak meer mogelijk voor hoogbegaafden, met speciale scholen op alle niveau's (basis, voortgezet, hoger). Herstel, ook via zelf-werkzaamheid, de mogelijkheden voor laagbegaafden. Dat kan kosten-neutraal, of zelfs tegen lagere kosten, als eerst maar eens in de bureaucratie wordt gesneden.

3. Ga door met stimuleren van de mantelzorg, maar schep ook voorwaarden daartoe o.a. via vacaturebanken, voorlichting en aanmoedigingspremies en -prijzen. Mensen worden graag gewaardeerd, en dat kan ook niet-financieel.

4. Treed de EU tegemoet met een "nee, tenzij" houding in plaats van een "ja graag"- houding. Dring verder aan op en scherper onderscheid van wat de EU aangaat en wat het land zelf aangaat. Maak nieuwe voorwaarden voor een vrij verkeer van arbeidskrachten en migratie binnen de EU. Roemenen, Bulgaren en Serven bijvoorbeeld moeten hier kunnen komen werken, maar onder striktere voorwaarden dan nu. Sluit u meer aan bij hoe Groot-Brittannië denkt over de EU, dan hoe Duitsland daarover denkt (maar neem meer over van de Duitsers als het gaat om zelfwerkzaamheid).

5. Neem geen nieuwe wet of maatregel van bestuur aan zonder tenminste één te schrappen. En kijk ook bij elke wet of het niet meer een wens is van een beperkte belangengroep is, dan een wet die echt het algemeen belang dient. Schaf het lobbyen af, of hervorm het: lobbyen mag alleen als u als kamerlid of minister erom vraagt, ongevraagde lobbyisten wijst u de deur, laat ze maar een brief schrijven zoals iedere Nederlander dat mag. Maak hier een wet voor, de lobby-wet.

6. Voer in: het bindend referendum (bv. voor uitbreiding van de EU qua aantal leden en overdracht van soevereine bevoegdheden, de gekozen burgemeester, grondwetswijziging, en ander belangrijke zaken, en op verzoek van een x-aantal burgers). De partij di dit in haar verkiezingsprogramma opneemt voorspel ik grote winst, want dit leeft echt onder de bevolking.

7. Schaf de Eerste Kamer af, ten eerste wordt dat teveel een verlengstuk van de Tweede Kamer,  ten tweede kan ze anders van samenstelling zijn dan de Tweede Kamer (weer veel kostbaar draagvlak zoeken en onderhandelen), en ten derde wordt ze slechts gekozen door leden van Provinciale Staten, en niet door de kiezers zelf.

8. Geef meer bevoegdheden aan de provincies en gemeenten, naast de mogelijkheid om ter uitvoering van die bevoegdheden, ook eigen belastingen te heffen. Dit om de burgers meer bij de politiek te betrekken. Maak ook het passief kiesrecht aantrekkelijker, door cursussen voor raads- en statenleden (onderhandeling, bestuursrecht, conflicthantering, vakgebieden) en een hogere beloning (of premies), met name voor mensen die acht, twaalf of zestien jaar of langer dit ambt vervullen. Dat voorkomt dat een gemeenteraad en duiventil wordt, en zal het aantal conflicten doen verminderen.

Dit waren slechts enkele gedachten en ideeën die niet revolutionair zijn, maar die uitvoerbaar zijn en naar mijn idee het vertrouwen van burgers in de politiek kunnen herstellen. De lijst is natuurlijk niet compleet.


zaterdag 27 juli 2013

Aflevering 5: Aantekeningen bij de Heilige Koran

Dit is de vijfde aflevering van een serie bijdragen waarin ik mijn visie geef op wat ik in de Nederlandse vertaling van de Heilige Koran lees. Ik lees als niet-moslim, met een open oog en zoveel mogelijk onbevooroordeeld.

http://www.koranonline.nl/koran/nl/index.php?subaction=showfull&id=1099093674&archive=&start_from=&ucat=2&go=NL

 (hoofdstuk ((soera)) 3): Het huis van Imraan (vervolg)

76-83: Waarschuwingen tegen valselijk geloven: tegen zeggen dat men gelooft en dat bepaalde woorden en daden "van Allah" zijn, terwijl ze dat niet zijn. Waarschuwing tegen het aanvaarden van werelds genot tegenover het aanvaarden van Allah's boodschap en geloof.  Waarschuwing tegen het aanvaarden van alleen de woorden, maar het niet vervullen ervan.

84-85: Wederom benadrukking dat het geloof in en van Allah het enige ware is, en dat iedereen zich eraan moet onderwerpen, of hij nou wil of niet.

86: Wederom een veroordeling van het Joodse volk, dat Allah nu vaarwel heeft gezegd na zoveel verbrekingen van het verbond dat Hij met hen sloot.

Het valt steeds weer op hoeveel woorden de Koran wijdt aan het veroordelen van vooral Joden en Christenen, en niet-oprechte islamieten. Dat veroordelen geschiedt grotendeels door de mond van Allah, teksten waarin gelovigen worden opgeroepen om Joden en Christenen te vervolgen, ben ik nog niet tegengekomen. De Joden worden veroordeeld wegens hun trouweloosheid en hardnekkigheid de Islam te weigeren, de Christenen wegens het vereren van Jezus als Gods' zoon, het onderlinge dispuut, en het niet omarmen van de Koran als een Boek dat het Evangelie overstijgt. Ik schat, dat ongeveer het helft van de verzen totnogtoe bestaan uit lofprijzingen aan Allah, en de andere helft uit veroordeling van ongelovigen en concrete aanwijzingen en leefregels. Als dat zo doorgaat wordt het nog een hele onderneming de Koran tot het einde toe door te lezen.

87-115: Wederom een litanie over de goedheid en rechtvaardigheid van Allah, en veroordeling van de ongelovigen. Vers na vers. Na raadpleging van "De geschiedenis van God" van (van Karen Armstrong) zijn deze overdrijvingen en herhalingen begrijpelijk. De Koran is niet geschreven in een bepaalde tijdsperiode, met een vooropgezet plan, maar gedurende 23 jaar, meestal tijdens hevige religieuze extase van Mohammed. De herhaalde uitvallen naar de ontrouwe Joden en de twistzieke Christenen moeten worden gezien als een zich afzetten tegen deze gefundeerde religies, waar de Islam nog aan het ontstaan was na een periode van godsdienstige onduidelijkheid voor d Arabieren. Enerzijds was er wel een Allah en een Gewijde Steen in Mekka, maar naast Allah werden diverse andere goden en geesten vereerd. Mohammed wilde (moest van Allah) een aan de Joodse en Christelijke godsdienst gelijkwaardige, ja zelfs superieure godsdienst creëren. Hij kon alleen maar superieur zijn om de Arabieren hun zelfvertrouwen tegenover Joden, Christenen en Zoroastrisme terug te geven. Deze godsdienst heeft uiteraard alle kenmerken van reeds bestaande deugden en waarden zoals die gelden in een woestijnmaatschappij, verdeeld over vele elkaar dikwijls vijandige stammen, en hield tevens een rechtssysteem in. Belangrijke pijler was het stamverband, alles was erop gericht de eenheid en kracht van de stam te bewaren. Dit resulteerde in uitgebreide regels in Koran betreffende de omgang met vrouwen en met persoonlijk bezit, en het delen van eigen rijkdom met armen. Het geven van rechten aan vrouwen beperkte zich tot haar moederschap en haar echtgenote-zijn voor de eigen man (die haar min of meer in eigendom had, en niet andersom natuurlijk), andere rechten waren ondenkbaar.

113-115: begenadiging van Joden en Christenen die in het geheim Allah aanbidden.(in het openbaar zouden ze hiervoor zijn  bespot en vervolgd).

116-120: Waarschuwing om niet "buiten het eigen volk" vrienden te nemen: zij zullen u zeker bedriegen.

121-128: Waarschuwing om te blijven vertrouwen op Allah in de strijd tegen ongelovigen die u willen verslaan: Allah zal u helpen met vijfduizend engelen. Degenen die laf zijn, zal Hij om hun ongeloof straffen.

129: Lofprijzing.

130: Verbod op het rekenen van rente (In Mohammed's tijd besrtond er in Mekka veel materiële welvaart onder rijken, maar ook veel armoede, ongeveer zoals in het huidige kapitalisme; de neiging om woekerrente te rekenen aan arme lieden was wijdverbreid).

131-135: lofprijzing en aansporing om het goede te doen, en berouw te tonen tegenover Allah, die vergiffenis schenkt.

Tot nog toe valt op, dat het overgrote deel van de verzen aanspoort om in Allah te geloven en niet te dwalen met de ongelovigen, het gaat om geloven, en Allah wordt als in een litanie geprezen. Een klein deel van de verzen geeft leefregels zoals het niet in rekening brengen van rente, hoe om te gaan met huwelijk en dergelijke.

136: Het paradijs wordt wederom beloofd aan hen die het goede doen.

139-143: Ietwat lastig te begrijpen, maar het komt hierop neer: probeer niet omwille van het loon (namelijk het paradijs) het goede te doen, maar omwille van het goede zelf, want Allah heeft uw vijand (die niet het goede doet)  allang  gestraft (veroordeeld) en u allang beloond (als gij het goede doet), uzelf bent niet in staat Hem vóór te zijn in uw oordeel. - Een prachtige reeks verzen, doe het goede omdat het goed is en niet om wat je ervoor krijgt. Bijvoorbeeld:

142. Denkt gij, dat gij het paradijs moogt binnengaan, terwijl Allah degenen uwer die strijden en standvastig zijn nog niet heeft onderscheiden?

143. En gij placht deze dood te wensen voordat gij hem ontmoettet, nu hebt gij hem gezien en gij staart er naar.


(Bij het "strijden" denk, gezien de hele context, niet aan letterlijk oorlogvoeren, maar aan de strijd om een goed leven te leiden, letterlijk vechten mag (tot nog toe)  alleen, als men zelf wordt aangevallen door ongelovigen, en vertrouw dan op Allah)


144-200: Moeilijk te begrijpen verzen, tenzij men aanneemt dat hier Mohammed een dialoog met zichzelf houdt, waarin hij zich gesterkt weet door Allah, die hem steeds te hulp komt en hem wijsheid geeft.

144-151: Mohammed is slechts een boodschapper, hij zal sterven. Keer na zijn dood niet terug, maar blijf geloven in Allah en het goede doen.

152-153: de vijand (de ongelovigen) was verslagen, maar onder u (de overwinnaars dankzij Allah) brak tweedracht uit. Gij (Mohammed)  wendde u af  (met uw metgezellen) en trok u terug, maar Allah heeft het u vergeven. Toen gij vluchtte, en de boodschapper (ik interpreteer "boodschapper" hier met een engel, die veelvuldig in de Koran voorkomt - het woord engel betekent trouwens boodschapper) u nariep, gaf hij u (Mohammed en zijn metgezellen)  smart op smart, om u te beproeven, opdat gij niet zoudt treuren om hetgeen verloren was, noch om wat met u gebeurde. (soortgelijke beproevingen komen ook in de Bijbel voor).

154: Allah spreekt via de mond van Mohammed tot zijn metgezellen na uitgerust te zijn, dat zij op Allah moeten vertrouwen, de zaak is geheel in Allah's handen, want de metgezellen hebben er spijt van mee ten strijde te zijn getrokken en waren liever thuisgebleven, wat hebben zij met de zaak te maken, vragen ze zich af. (parallel met de metgezellen van Jezus, die soms ook twijfelden en door Jezus tot geloof werden gemaand - hoewel Jezus' metgezellen niet ten strijde optrokken met Jezus, integendeel, toen Petrus zijn zwaard trok, moest hij dat van Jezus weer terug in zijn schede doen, een fundamenteel verschil tussen Jezus en Mohammed is Jezus' afkeer van gewapende strijd, hij herhaaldelijk: "Mijn rijk is niet van deze wereld". Anders dan Jezus, werd Mohammed tijdens zijn leven gedwongen tot gewapende strijd. In de machtsverhoudingen ten tijde van Jezus in Palestina zouden Jezus en Zijn volgelingen daar geen schijn van kans hebben gehad, de Romeinen waren oppermachtig, gezien ook de slachting op de rots van Massada in 70 n.C. toen een poging daartoe werd ondernomen door een groep fanatieke Joden. Jezus moest het hebben van het uitdagen van Joodse "schriftgeleerden" die de letter van de wet benadrukten, maar de geest ervan verwaarloosden, en de Joden die onoprecht profiteerden van mooie baantjes die de Romeinen hen aanboden).


155-156: Allah vergeeft het u, als gij de strijd ontvlucht en overleeft, terwijl uw broeders in de strijd zijn omgekomen, hebt daarover geen wroeging en denkt niet: "waren ze maar met ons meegevlucht of waren we maar niet ten strijde getrokken". Allah bepaalt het moment van sterven en leven.

157-174: Woorden die Allah tot Mohammed richt om hem te troosten en te bemoedigen in de strijd: heb geen schuldgevoel om omgekomen broeders en veroordeel niet de broeders die niet meekwamen in de strijd en nu kritiek hebben vanwege gesneuvelde broeders die wel meekwamen. Vergeef gelovige broeders waarvan gij meent dat ze zich niet heldhaftig genoeg zouden hebben gedragen, enz. In mooie verzen worden de psychische emoties beschreven die zich in een gewapend strijd kunnen voordoen aangaande de vijand, medestrijders, leven en dood, enz. Het komt erop neer, dat door welke emotie u ook wordt beroerd, steeds is het Allah die oordeelt, laat uw zorgen dus aan Hem over en vertrouw op Hem.

176-188: Opsomming van ondeugden van ongelovigen zoals weifelmoedigheid, onderschatting van Allah's rechtvaardigheid, uitstel van deugd, afvalligheid, gierigheid, enz. , met aansporing aan de gelovige om hier niet in mee te gaan, maar de straffen hiervoor over te laten aan Allah, en zelf standvastig te blijven in het geloof.

Deze verzen staan in schrijnende tegenstelling tot de manier waarop in de moderne tijd d.m.v. sharia-rechtbanken ongelovigen en afvalligen zoals zij die zich bekeren tot het christendom, worden gestraft.

189-200: Belofte van "tuinen waardoorheen rivieren stromen" aan degenen die de Heer vrezen en op Hem, n niet op Satan's vrienden, hun vertrouwen stellen, inclusief de "mensen van het boek" (Joden en Christenen die volgens Allah's wil leven).

Deze verzen zouden qua sfeer zo uit het Oude Testament genomen kunnen zijn. Dit hele Derde Boek ademt de sfeer van de psalmen, waarin ook steeds de Heer als helper in nood, bemoediger, en overwinnaar van vijanden wordt geprezen.