Als je het lijdensverhaal leest van Johannes, geeft dat aanleiding om het traditionele beeld dat je voor ogen hebt van een Jezus die door een massa Joden naar Pilatus wordt gebracht, grondig te herzien. Ik kwam hierop door een artikel in Trouw over het boek "Pilatus en Jezus" van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben. Pilatus was een meedogenloze landvoogd, die zich van de Joodse godsdienst niets aantrok, en alleen geïnteresseerd was in de openbare orde en handhaving van het gezag van de Romeinen tegen zo weinig mogelijk kosten voor die Romeinen: zo konfiskeerde hij het goud van de tempel om de watervoorziening van Jeruzalem te betalen, en richtte hij een bloedbad aan onder de Joden die daartegen protesteerden, aldus de Joods-Romeinse geschiedschrijver .Flavius Josephus (die echter met geen woord over Jezus repte). Uit Johannes komt echter een weifelende man naar voren, die een filosofisch-getint gesprekje voerde met Jezus over de vraag of hij nu wel of niet koning was van de Joden, en Pilatus' probleem of de Romeinen zich hiermee moesten bemoeien of niet. In elk geval vond Pilatus dat Jezus mogelijk wel koning was, maar "niet van deze wereld" (Jezus' eigen woorden), zoals wij in onze tijd wel zeggen van iemand die "niet met beide benen op de grond staat". Hij vond hem dus onschuldig.
Hij sprak ook niet met "een volksmassa" die zich op het plein voor zijn paleis bevond, maar met een groepje hogepriesters, want zo'n gesprek kun je niet met een menigte voeren, het was een juridische discussie tussen een bezettende autoriteit en hoge gezagsdragers van het bezette land. Johannes heeft het ook niet over een menigte, maar wel over "Joden" en "hogepriesters". Zij stonden buiten, omdat de godsdienstige voorschriften het naar binnen gaan door Joden verboden, het was "onreine grond" die zo vlak voor Pasen niet aangeraakt mocht worden, zo staat in het evangelie. Pilatus was wel zo bereidwillig om dit te eerbiedigen en zelf naar buiten te komen.
Maar na dit gesprek deed hij iets wat hem als wrede landvoogd typeerde: hij liet Jezus geselen en een doornenkroon op zijn hoofd zetten, als een bespotting van zijn koningschap, en toonde hem daarna aan de hogepriesters. Waarom deed hij dat? De geseling kon gewoon achterwege blijven. Misschien wilde hij zien of de hogepriesters nu tevreden waren, hij wilde niet zomaar omdat de Joden dat eisten, een doodvonnis uitspreken, alleen de Romeinen konden op eigen initiatief gevaarlijke sujetten ter dood brengen, als afschrikwekkend voorbeeld. Wat hij wilde, was rust onder het volk en geen oproer. Jezus was als een populaire volksheld de dag ervoor Jeruzalem binnengetrokken, dat moet Pilatus hebben geweten, hij stond er bijna met zijn neus bovenop. En nu kwamen een paar hooggeplaatsten uit datzelfde volk hem vertellen dat hij gevaarlijk was. Dit is nog een reden waarom een anti-Jezus-gezinde volksmassa voor het paleis van Pilatus erg onwaarschijnlijk is, maar nodig voor de mythe dat de Joden Christus hebben laten kruisigen.
En dan komt er een passage, die van grote betekenis zou zijn voor de toekomst van het Joodse volk: het evangelie (en niet alleen dat van Johannes) zegt namelijk dat hij Jezus overleverde aan de Joden, om hem te laten kruisigen. En dit nu is volstrekt onlogisch. Pilatus doet hiermee afstand van zijn bevoegdheid als rechter. Als hij echt de doortastende en meedogenloze landvoogd was die Flavius Josephus beschreef, dan had hij de knoop doorgehakt en Jezus gewoon als een volksopruier ter dood moeten veroordelen. Beter een volksoproer onder de volgelingen van Jezus, dan een opstand die werd aangevoerd door de hogepriesters. Maar nee, hij werd ineens weifelmoedig, vond dat Jezus onschuldig was, gaf hem aan de Joden, en liet vervolgens zijn eigen soldaten Jezus kruisigen. Nota bene de hogepriesters zelf zeiden, dat zij niet tot en doodvonnis waren bevoegd, en dat alleen de Romeinen dit konden uitspreken en uitvoeren. Jezus heeft wel van zichzelf gezegd, dat hij de "zoon des mensen" was, maar nooit dat hij Gods zoon was. Toen Pilatus in een ander evangelie aan hem vroeg (en volgens weer en ander evangelie vroegen de hogepriesters dat aan hem): "bent u de zoon van God?" heeft Jezus geantwoord "u zegt het". Dit kan ook worden uitgelegd als "Dat zijn uw woorden, dat hebt u mij niet horen zeggen". Johannes schrijft dat toen Pilatus van de hogepriesters hoorde, dat hij "zich uitgaf voor de Zoon van God", hij bang werd. Ik kan me dat niet voorstellen. Was Johannes soms bij dat gesprek aanwezig? Werd Pilatus bang voor de God van de Joden? Eveneens onvoorstelbaar.
Conclusie: het uitleveren aan de Joden door Pilatus is een constructie binnen een verhaal, om aannemelijk te maken, dat de Joden schuld hadden aan de dood van Christus.
Al vaker heb ik betoogd, dat de evangeliën verzonnen verhalen zijn, die "vlees en bloed" moesten geven aan de Christus die Paulus in zijn brieven beschreef, decennia vóórdat er van enig geschreven evangelie sprake was - naar mijn mening was dat een Christus die bekend stond als "Rechtvaardige Leraar", en die predikend heeft rondgetrokken lang voordat Pilatus landvoogd was, ook de rollen uit Qumran, de Dode-Zeerollen, getuigen daarvan). Onderzoek heeft uitgewezen, dat de evangeliën gebaseerd zijn op één mondeling overgeleverd verhaal, het oer-evangelie, waarvan verschillende versies in omloop zijn gebracht.
De schrijvers van de evangeliën wilden, in het voetspoor van de Jood met Romeins staatsburgerschap, Paulus, een duidelijke scheidslijn aanbrengen tussen enerzijds de Romeinen (oftewel de bevolkingen van het Romeinse rijk) en anderzijds de Joden, als het gaat om de schuldvraag aan de dood van Christus. Jezus was trouw aan de Joodse wetten, maar hekelde voortdurend de schijnheiligheid, het ging hem om de geest van de wet, en niet om de letter ervan. Dat was steeds tegen het zere been van de schriftgeleerden en hogepriesters, die hij "witgepleisterde grafstenen" noemde. Het evangelie laat zien, dat Jezus zich inderdaad niet met politiek bemoeide, en "aan de keizer liet geven, wat des keizers was, en aan God wat van God was". Hiermee werd hij populair onder het volk, en dat stak de hogepriesters. Ook Paulus disputeerde met de volgelingen van Jezus, of Jezus een echte Jood was of niet, en of zijn volgelingen Jood moesten worden (d.w.z. besneden) of niet. Paulus besloot eigenmachtig, dat Jezus' volgelingen (de "christenen", een Paulinische uitdrukking en een Griekse, geen Joodse naam) een nieuw verbond hadden gesloten met God, en geen Jood hoefden te worden. Degenen die dat niet met hem eens waren, bleven een Joodse sekte, en verdwenen van het toneel. Als Paulus er niet was geweest, was er geen christendom geweest.
Alles wijst erop, dat het de schrijvers van de evangeliën erom te doen was, de Joden in diskrediet te brengen, en de rol van Pilatus te sparen. Daarom "leverde Pilatus Jezus uit aan de Joden", en sprak hij zelf geen doodvonnis uit, terwijl het toch niet de Joden waren, maar Romeinse soldaten die hem, na hem eerst te hebben gegeseld en bespot, hem de kruisdood lieten ondergaan. Pas nadat Jezus aan het kruis was gestorven, mochten zijn Joodse volgelingen hem weer hebben.
Deze weergave heeft gezorgd voor een fundament onder het anti-semitisme, omdat de evangeliën heilige verhalen waren, die volgens christenen eeuwenlang precies weergaven wat er in werkelijkheid gebeurde. Pas in onze tijd is dankzij geschiedkundig en schriftkundig onderzoek komen vast te staan, dat het helemaal de vraag is of Jezus destijds al wonderen verrichtend en predikend tussen het jaar 0 en 33 in Palestina heeft rondgelopen. Paulus heeft Jezus nooit ontmoet, maar werd bekeerd tot het christendom, toen hij in opdracht van de hogepriesters christenen moest arresteren in Damascus. Onderweg werd hij bekeerd, en in Damascus opgenomen in de christen-gemeenschap. Hij was een tijdgenoot van Jezus (volgens de traditionele christelijke tijdrekening) en zijn bekering, en daarmee zijn apostelschap, moet enkele jaren na, of ongeveer gelijktijdig met de terechtstelling van Jezus hebben plaatsgevonden. Paulus trok ten strijde tegen, en verdedigde later vurig, de Christus die zetelt aan de rechterhand van God, en die ter dood was gebracht door een onrechtvaardige wereldlijke macht en weer verrezen, nadat hij een heilvolle boodschap had gepredikt. Hij was de Rechtvaardige, die zou wederkomen om te oordelen over de levenden en de doden. Nergens verwijst Paulus in zijn brieven naar enig evangelie.
Een vroege christelijke martelaar, de eerste zelfs, die in Jeruzalem tempeldienaar was en pas kort na het jaar 33 de marteldood vond, was Stephanus. Net als Jezus was hij een boeiend spreker die kritiek uitoefende op de hogepriesters en hun aanhang, en werd dus gearresteerd. Hij hield een verdedigingsrede voor de raad van hogepriesters, het Sanhedrin, waarin hij een zelfde Christus verdedigde als Paulus, ook zonder naar enig voorval of uitspraak van Jezus in enig evangelie te verwijzen, behalve diens marteldood, verrijzenis en de voortzetting van het verbond van Jahweh met het Joodse volk, in een nieuw verbond. Plaats noch datum noch ander detail werden daarbij door hem genoemd, hij verwees niet naar een concrete, onlangs terechtgestelde en verrezen Jezus. Hiervoor werd hij bij de "poort van Stephanus" in Jeruzalem gestenigd. Paulus (toen Saulus) was bij die steniging goedkeurend aanwezig. De steniging vond plaats zonder toestemming van of vonnis van de Romeinen, en was dus illegaal. Dit alles staat vermeld in de "Handelingen der apostelen", geschreven 60-100 jaar na het jaar 33, samen met het Lucas-evangelie, kort na het overlijden van Paulus.
donderdag 17 april 2014
donderdag 27 februari 2014
J.W. von Goethe: Faust I (verantwoording en inleiding)
Ik heb besloten om mijn vertaling van Faust deel I (waar ik aan gewerkt heb in de jaren 1995-1996) op mijn blog te zetten, zodat ook anderen het kunnen lezen. In deze aflevering de verantwoording en de inleiding op deze vertaling.
De tot op
heden meest gebruikte vertaling van Goethes' Faust, deel I is die van Adama van
Scheltema uit 1911. Een verantwoording voor een nieuwe vertaling ligt vooral
in het tijdsverschil tussen 1996 en 1911. Goethe heeft een taal gebruikt die
dicht bij het normale, Frankfurter spraakgebruik stond, als het ging om het
weergeven van alledaagse taferelen. Ook als het ging om het oproepen van
diepere gevoelens en beschouwingen en het creëren van een bepaalde, religieuze
of mediterende sfeer, was hij kernachtig: geen regel die, gezien wat
weergegeven moest worden, alleen versiering of opvulling diende. De lezer/toehoorder
moest niet worden gehinderd door stijl- en taalversieringen die afleidden van
waar het in de tekst om ging. Hoewel destijds Adama van Scheltema werd geprezen
om de eenvoud van zijn taal, doet deze voor de hedendaagse lezer op een aantal
plaatsen gekunsteld en "gewild-poëtisch" aan, waar de oorspronkelijke
tekst veel directer was. Dit was voor de toenmalige lezer geen bezwaar: Faust
was en is een klassiek, eerbiedwaardig stuk en daar hoorde "hogere"
taal bij. Deze "hogere" taal heb ik getracht zoveel mogelijk te
vermijden. Een tweede probleem is het gebruik van "je" en
"u" als aanspreekvorm. Dit gebruik is in het laat-achttiende-eeuwse
Duits anders dan in het moderne Nederlands. Ik heb dit opgelost door de
originele aanspreekvormen ook in het Nederlands te handhaven, tenzij dit in
het Nederlands storend werkt. Faust en Mefistofeles zijn niet consequent in het
elkaar "be-jijen en bejouwen"; daar waar ironie doorklinkt of waar
een duidelijke meester-knecht verhouding vooropstaat in de dialoog, verandert
men van "jij" naar "u".
Een andere
kwaliteit waarom Adama van Scheltema's vertaling werd geprezen, was het
volledig intact laten van de structuur van elke versregel: bijvoorbeeld vier
jamben Duits werden vier jamben[1]
Nederlands, en zelfs de klemtonen in de knittelverzen[2]
werden in het Nederlands precies nagevolgd.
Inderdaad is
het volgen van versmaat en -ritme bij een vertaling van Goethes' Faust een
noodzaak: samen met de klank ondersteunen zij de inhoud in belangrijke mate.
Ook ik heb hiernaar gestreefd, maar soms ben ik er zonder wroeging van
afgeweken, nl. in sommige knittelverzen. De knittel-dynamiek is nl. sterk aan
(de volgorde van de) Duitse woorden gekoppeld. In de madrigaalverzen[3],
de alexandrijnen[4] en de
trocheisch[5] opgebouwde
passages hield ik mij wel exact aan de versregel-structuur, wat eenvoudiger
te bereiken is dan in de gecompliceerde, qua ritme en klemtoon sterk aan het
origineel gebonden knittelverzen.
Voor een
goede vertaling is verder van belang, dat men kennis heeft van de bronnen
waaruit het stuk is voortgekomen. Vooral bij Faust I is dit van belang. Deze
vertaling is geen studie over Faust en daarom volstond ik met enkele werken
waarin een groot deel van de literatuur is samengevat. In de voetnoten wordt
naar deze publicaties verwezen met een afkorting. Daarnaast oriënteerde ik
mij in neven-literatuur over o.a. alchemie en de Faust van Lessing.
Deze publikaties zijn:
Goethes Werke, Band III, Christian Wegner Verlag, 1962
(Ed.: Erich Trunz) (de zg. "Hamburger Ausgabe", afk. HA);
W. Keller: Johann Wolfgang von Goethe: Urfaust, Faust
Fragment, Faust I, Insel Verlag, 1985; (afk. WK)
J. W. Goethe: Faust I und II, Reclam, 1986;
L. Polak: Goethes Faust, Tjeenk Willink, 1934. (afk. LP)
Naast ritme
en versmaat speelt in het stuk de klank een belangrijke rol. De Duitse taal
heeft een klankkleur die zich uitstekend leent voor sfeercreaties. Het Nederlands
leent zich daartoe schijnbaar minder. Niettemin heb ik getracht de klanksferen
ook in de vertaling te verwerken, voorzover dat mogelijk was, echter zonder de
Duitse klanken te kopiëren. Het Duits kent nu eenmaal een veel uitgeprokener
klinker-uitspraak, is zangerig en bezit een aantal geprononceerde, sissende
ch- en sh- klanken, het Nederlands is subtieler, en danst meer van de ene
klank op de andere, als het ware zorgelozer en nonchalanter dan het Duits. Dit
schept beperkingen, maar ook mogelijkheden.
Iets over de geschiedenis van de Faust-legende
Johann Faust (Goethe noemt hem
"Heinrich Faust", misschien omdat hijzelf Johann heet?) heeft werkelijk
bestaan. In dezelfde stad als waarin Goethe aan zijn Faust begon, nl. Frankfurt,
verscheen in 1587 van anonieme hand de "Historia von D. Johann Fausten dem
weitbeschreyten Zauberer und Schwartzkünstler". Dit boek werd een
bestseller naar toenmalige begrippen. Blijkbaar maakte het iets los bij het
publiek, haakte het in op iets dat leefde onder de mensen. Het bevatte alle
verhalen, verdichtsels en anekdoten die rondom Faust toen de ronde deden.
Faust was een
tijdgenoot van Luther en Paracelsus, twee belangrijke publicisten waarin de
"geest des tijds" zich weerspiegelde. Luther stelde kerkelijke
misbruiken aan de kaak, vooral op het gebied van het aardse slijk, en wilde het
geloof terugbrengen naar de bron. Paracelsus was een (overigens verketterd)
arts die predikte dat een goed arts kennis moest hebben van de natuur in
dezelfde zin als de alchemie en de astrologie: namelijk als openbaring van
Gods tegenwoordigheid. Het aardse, het tijdelijke en waarneembare waren in
deze opvatting afspiegelingen van het hemelse, het Goddelijke. De openbaring
vond niet alleen plaats door middel van het Woord, maar ook en vooral door de
ons omringende natuur. Kennis hiervan was dus noodzakelijk voor genezing.
Ook Faust heette in deze traditie te werken, maar in de literatuur wordt hij
gezien als een tovenaar en kwakzalver. Uit de legenden die rond hem ontstaan,
blijkt dat hij verward wordt met, of gezien als een soort reïncarnatie van
Simon de Magiër, een Joodse gezagsdrager uit de kringen rond Jezus Christus.
Ook Simon de Magiër had een verhouding met een vrouw die Helena heette en ook
hem werden occulte vermogens toegeschreven.
De historische
Faust is waarschijnlijk rond 1480 te Knittlingen geboren. Als astroloog werkte
hij onder andere voor de bisschop van Bamberg, was een tijdlang leraar en trok
rond als duivelskunstenaar die ondermeer Helena in levenden lijve kon laten
verschijnen. Al snel na zijn dood rond 1540 ontstond de legende van zijn
verbond met de duivel. Deze legende verschilde essentieel met het verhaal dat
Goethe voor zijn Faust-versie gebruikt. In het oorspronkelijk verhaal klinkt de
ontmoeting van een nog oorspronkelijker verhaal door: Christus, door de duivel
in verzoeking gebracht tijdens de periode van vasten in de woestijn. De duivel
blijkt macht te hebben om te voorzien in macht en rijkdom, maar Christus wijst
deze af. Hij werd in verzoeking gebracht, maar doorstond deze. Christus
verkocht zichzelf niet om aards gewin aan de duivel. Zo ook werd de duivel
afgeschilderd in de oorspronkelijke Faust-legende. Echter, met dit verschil,
dat aardse geneugten en macht hadden plaatsgemaakt voor duivelse kunsten en
het vermogen het wezen van de natuur te doorgronden. De drang naar kennis was
in opkomst, en er was dus "behoefte" aan een verhaal, een mythe die
deze behoefte afschilderde en plaatste in een morele context van goed en kwaad.
Er was sprake van een echt contract waarbij Faust zijn ziel verkocht aan de
duivel, die hem in ruil voorzag van allerlei duivelse vermogens. Faust was in
wezen ondergeschikt aan de duivel.
Dit
oorspronkelijke, anonieme Frankfurter Faustverhaal werd in 1592 verwerkt in de
versie van de Engelse dichter Christopher Marlowe, nadat het oorspronkelijke
werk in het Engels was vertaald. Marlowe maakt er een toneelstuk van, een
drama, waarin niet verteld wordt, maar doorleefd. Sindsdien wordt het traditie
in Faustuitgaven om in elk geval de "parade der faculteiten" en het
tellen van de klokslagen aan het einde in het stuk te verwerken. Goethe heeft
de eerste traditie gehandhaafd in de scène met de scholier, de tweede vervangen
door het klokgelui bij Fausts' zelfmoordpoging.
Tevens
schiep Goethe de derde revolutionaire verandering in de duivelsverleiding: hij
plaatste in Faust de mens niet onder, maar naast en zelfs boven de duivel.
Onder andere komt dit tot uiting in de aard van het contract: het was geen
"verkoop", maar een "weddenschap". De grens tussen goed en
kwaad was vervaagd en dat weerspiegelt zich in het nieuwe Faust-verhaal. Heel
sterk komt dit ook tot uiting in het fragment van Goethes' tijdgenoot G.E.
Lessing: "Faust en de zeven geesten". Hiervoor in de plaats komen
nieuwe waarden als streven, het wijzen op de gevaren van orthodoxe dogmatiek en
de rede (Fausts' afkeer van de alchimistische praktijken van zijn vader, en bij
Lessing de verheffing van de drang naar kennis als de edelste van alle
menselijke drijfveren).
Hoe populair
de materie was, blijkt wel als we reeds in 1608 een opvoering van Marlowe's
stuk beleven in het verre Oostenrijkse Graz. M.i. moeten we de populariteit
toeschrijven aan enerzijds de voorbeeldwerking die de kerk erin zag en anderzijds
de nieuwsgierigheid van het publiek naar het geheimzinnige en magische.
Twee jaar na
de Frankfurter uitgave (die bekend staat als de "Spiesz-uitgave",
genoemd naar de uitgever) volgen nog: 1589: de vier zg. "Erfurter Kapitel" (o.a. de
"Rit op het vat" en het "Wijnwonder"; vgl. het bedrijf
"Auerbachs kelder" bij Goethe. 1599: Een werk van maar liefst 671
pagina"s: Widmanns Faustbuch.
1674: Bewerking hiervan door Pfitzer (het oorspronkelijke werd te langdradig
bevonden), die veel succes oogstte. In 1683 verschijnt van de hand van Kirchner
een wetenschappelijk werk over het leven van Faust en in 1685 de eerste
dissertatie, van Neumann.
De duivel van
Goethe staat veel dichter bij de mens ("Du gleichst dem Geist den du begreifst!", vertaald met:
"Nabij zijt gij, die gij begrijpt!") en sluit met hem niet een
verkoopcontract, maar een weddenschap af. De mens Faust is ook met meer
vermogens, met meer inzicht, met meer "Ahnung" begiftigd dan de
duivel. Waarom dan die weddenschap? Een in het aardse leven en de wetenschappen
teleurgestelde Faust wil zich overgeven aan het ongeremde, aan het wisselvallige,
dingen waarin juist de duivel sterk is, en daarvoor meent Faust de duivel dan
ook nodig te hebben: als een stimulans om niet te blijven steken, om steeds
door te blijven streven, om alle leed en vreugde van de mensheid zelf te
doorleven, met een metgezel die "prikt en port, en moet als duivel
scheppen".
De bedoeling
van Faust wordt dus als niet duivels afgeschilderd (in de oorspronkelijke
legende was deze bedoeling dat wel degelijk), en de duivel wordt gereduceerd
als een wezen dat weliswaar het kwaad nastreeft (en daardoor wel "het
goede doet"), maar tot minder in staat is dan de mens, ook al lijkt het
soms wonderbaarlijk wat hij tot stand brengt. In de eerste versie werd
Christus aardse rijkdommen en macht beloofd. Uiteraard waren deze voor
Christus als Gods Zoon, van geen enkele waarde, maar Christus was tevens mens
en als zodanig heeft Hij wel de bekoring ondergaan. De duivel heeft Hem
tevergeefs in zijn mens-zijn aangesproken. De oorspronkelijke Faust was een
veelweter van aardse dingen, maar wilde dingen weten die mensen niet kunnen,
niet mógen weten. De duivel bood hem dit aan en Faust bezweek, de verdoemenis
over zich afroepend. Deze duivel week dus ook af van die uit het Nieuwe
Testament, en beschikte over vermogens tot inzicht. De oorspronkelijke Faust
ontstond in een tijd waarin drang naar kennis der natuur zich aan het verspreiden
was. De oude Grieken (Aristoteles, Pythagoras) werden afgestoft, empirische
waarnemingen werden gedaan. Hoe de kerk hiertegenover stond, is bekend. De
Goethiaanse Faust verschilt niet van de oorspronkelijke in dat ook hij een
veel-weter is van wat bekend was, en meer wil. Waar hij wel in verschilt, is in
dat "meer". Niet woorden, maar daden, niet (meer) kennis (in woorden
en begrippen), maar doorleving, niet "het bereiken van een toestand",
maar "het streven" zijn voor de Goethiaanse Faust belangrijk.
Belangrijker dan zijn oorspronkelijke streven naar kennis en inzicht in het Al,
de Makrokosmos, waarvan hij beseft, dat deze niet voor hem is weggelegd, en
zeker niet door de duivel kan worden verschaft. De doodsklokken zullen voor hem
niet luiden, omdat ook de duivel verschilt van die in het oorspronkelijke verhaal:
deze heeft te bieden wat Faust wil, maar dan in verwaterde, inhoudsloze vorm,
iets dat Faust niet schijnt te doorzien als hij het verdrag sluit. Doordat
zijn streven naar het hogere, zijn willen-doorleven en zijn tomeloze passie,
afgewisseld met meditatieve momenten door God worden getolereerd, ja zelfs
inherent worden gezien aan de daden van een "goed mens", wordt Faust
gered.
In deze
versie klinken duidelijk de Sturm und Drang stroming en de Verlichting door.
Niet de rationele, verwetenschappelijkte kant van de Verlichting, maar de
erkenning, dat er niet één waarheid is die voor alle tijden, voor alle mensen
geldt, en dat dé Waarheid niet in dit ondermaanse gekend kan worden. De Sturm
und Drang zet zich ook af tegen de drang naar rationele en bet-weterige kennis,
zoals Faust zijn metgezel Wagner de les leest.
De
Goethiaanse Faust verschilt in nog een belangrijk opzicht met de originele,
namelijk in het mysterieuze, vragen oproepende element. Vooral de
Greetje-tragedie is hier een voorbeeld van. Iedereen, en zeker ondergetekende,
kan één grote fout maken als hij op interpreterende manier iets over Faust wil
zeggen: namelijk met stelligheid beweren, dat de dichter met een bepaalde
passage iets bedoeld heeft. In een gesprek met zijn secretaris Eckermann (6 mei
1827) zei Goethe het zelf zo: "De Duitsers zijn overigens wonderlijke lieden!....
Daar komen ze me vragen, welk idee ik in mijn Faust heb proberen weer te geven.
Alsof ik dat zelf wist en kon verwoorden! Vanuit de hemel, door de wereld naar
de hel, dat zou misschien iets zijn. Maar dat is geen idee, maar het verloop
van de handeling."
Niettemin
zijn er in Faust I weinig verzen aan te wijzen, die niet ooit zijn geïnterpreteerd
met "dit-of-dat is hier bedoeld". Deze interpreties lopen dikwijls
vast doordat elders in het stuk weer aanwijzingen van het tegendeel zijn te
vinden. Faust is een kryptisch stuk, waarvan men de bedoeling niet in stellige
volzinnen, maar in bescheiden aanduidingen hoogstens kan benaderen. Dit is ook
een van de voornaamste kwaliteiten van het stuk. Verder kan men ook pogen om de
inhoud van het stuk zelf te analyseren, niet op achterliggende bedoeling, maar
op motieven en strevingen van de hoofdrolspelers Faust en Mefistofeles, daar,
waar de tekst wat dit betreft ruimte laat voor meer verklaringen en/of vragen
oproept.
Wat een
verschil met de oorspronkelijke Faust-legende, die één grote, waarschuwende
vinger tegen het kwaad was, nl. het kwaad van verlangen naar onbeperkt weten en
aards genot, dat rond de eeuwwisseling steeds meer de kop opstak.
Het verhaal blijft een bestseller, vooral in de goedkope, zg. "Volksbücher" en poppenspelen. Gotthold Ephraim Lessing
schrijft in een brief: "En hoe verliefd was Duitsland, en is dat voor een
deel nog steeds, op zijn Doktor
Faust!"
Lessing begint
rond 1759 aan een stuk over Faust, waarvan helaas slechts een authetiek
fragment (overigens een juweeltje in de westerse literatuur) bewaard is
gebleven: "Faust en de zeven geesten". Het heet, dat een zending
vanuit Rome, waar Lessing toen verbleef, in 1775 (Goethe was toen net aan zijn
Faust begonnen) een twaalftal pagina's met fragmenten verloren is gegaan. Uit
betrouwbare documentatie uit die tijd[6]
kunnen we opmaken, dat Lessing over Faust een nieuw oordeel velde: hij was
niet verdoemd, maar kon gered worden, daar God de mensen niet "de edelste
van alle drijfveren" had gegeven om hem in het verderf te storten. (Dit
citaat is uit een brief van von Blankenburg uit 1794, waarin deze schrijft over
Lessings" Faust). Vergelijken we Lessings' Faust met die van Goethe, dan
blijkt dat die van Lessing toch meer op rationele kennis is gericht dan die van
Faust. In slimheid is hij de duivel de baas. Fausts' uiteindelijke redding
wordt bij Goethe dan ook niet subtiel en kryptisch aangeduid in het begin, maar
overduidelijk uitgesproken door een engel aan het einde.
Faust werd
welhaast een idool: noch de bijbelse openbaring, noch rationele, zakelijke
kennis bevredigen hem. Dit waren de twee voornaamste factoren die de toenmalige
Duitse cultuur kenmerkten. Eentonigheid, regelzucht, over-geciviliseerdheid
en aanpassing zorgden voor het Sturm- und
Drang-protest, en Faust gaf de toon aan, niet alleen voor Goethe en
Lessing, maar ook voor andere schrijvers zoals bv. Lenz en Klinger. De polemiek
beleefde een nieuwe impuls. Goethe, Schilling en Lessing voerden een felle
pennestrijd met dominees en theologen, die het lezerspubliek voor deze
goddeloze ketters waarschuwden en daarmee hun oplagecijfers verhoogden. Zelfs
in zijn Faust kon Goethe de polemische satire niet laten, getuige de vreemde
scènes op de Blockberg tijdens de Walburgsnacht.
Goethe
en zijn Faust I
Goethe leerde
waarschijnlijk Faust als kind al kennen. Als we zijn eigen woorden in "Dichtung und Wahrheit" (in 1995
verscheen bij Ambo een vertaling van dit werk van de hand van ondergetekende,
onder de titel "Verdichting en waarheid"[7])
mogen geloven, dan had hij als kind de beschikking over een hele reeks
poppenspelen voor zijn poppenkast die hij van zijn grootmoeder cadeau had
gekregen. De poppenspelen werden ook door Johann Goethe en zijn vriendjes als
levende acteurs opgevoerd, waarbij kinderen uit de buurt toegang hadden als
toeschouwers: te kleine kinderen mochten alleen naar binnen als ze vergezeld
werden van een oppas. Daarnaast was hij als kind verslinder van bovengenoemde Volksbücher.
Tussen 1773
en 1775 begon Goethe aan zijn Faust. Hij was toen ongeveer 25 jaar oud en
woonde als student in Straatsburg, waar hij zich meer bezighield met literaire
ideeën, romances en diverse studierichtingen, dan met de studie die hij geacht
werd te volgen, namelijk rechten. Zijn werk aan het stuk zou tot praktisch zijn
dood op hoge leeftijd voortduren, zij het met lange onderbrekingen. Van
lieverlede ontstond zo het romp-stuk van deel I, nl. de "Urfaust", een schetsmatig aan
elkaar gevoegd stuk dat uit drie hoofdonderdelen bestond: de tragedie van de
geleerde, de satire op de universiteit (de scène met de student, later scholier
genoemd) en de Greetje-tragedie. In Rome, tijdens zijn reis door Italië,
schrijft hij nog enkele gedeelten: De voornaamste zijn: een deel van de weddenschapsscène
met Mefisto, de Heksenkeuken, en Woud en grotten. Het aldus aangevulde stuk
verschijnt in 1790 onder de titel: "Faust, een fragment". Daarna
werkt de dichter lange tijd niet meer aan het stuk, in beslag genomen door
andere bezigheden. Aangespoord door zijn vriend Friedrich Schiller, hervat hij
het werk weer in 1797. Goethe ergerde zich, zo blijkt uit zijn brieven aan
Schiller, aan wat hij zag als gebrek aan compositorische samenhang van vooral
deel I. Puur uit plichtsbetrachting voltooit hij het stuk tot "Faust deel
I", dat in 1808 verschijnt, na tien jaar zwoegen op de resterende fragmenten
en gedeeltelijke her-rangschikking van de bestaande, om daarna, vanuit een
nieuwe invalshoek (de klassieke oudheid), aan deel II te gaan werken.
Ongetwijfeld had hij in de tien jaar hiervoor ook al schetsen opgezet en ideeën
uitgewerkt.
Hardegarijp,
januari 2002
Erik
Tjallinks
Copyright Erik Tjallinks.
[1] Jambe:
versvoet bestaande uit twee klanken: een onbeklemtoonde klank gevolgd door een
beklemtoonde. geschikt voor rustige, betogende, verhalende situaties in madrigaalverzen.
[2] Knittelvers:
versregel of gedicht, bestaande uit onduidelijke versvoeten die qua
samenstelling niet aan een norm zijn gebonden. Goethe gebruikte in zijn Faust
deze versvorm in verwarde, rommelige situaties en betogen. Het Goethiaanse knittelvers
verschilt van andere (bijvoorbeeld van die van de Nederlandse nonsens-dichter
"De Schoolmeester") doordat Goethe zelfs in het knittelvers-ritme
gebruik maakte van klemtoon en ritme om de inhoud van wat er wordt gezegd, te
ondersteunen. Vandaar, dat in een vertaling afwijkingen van het exacte,
originele ritme m.i. zijn toegestaan en zelfs aanbevolen, omdat men in een
vertaling noodgedwongen met andere woordvolgorden moet werken en de vertaalde
woorden andere klemtonen en lengten hebben.
[3] Madrigaalverzen:
Uit jamben opgebouwde verzen. Het standaard-aantal jamben in een regel is in
Faust I vier. Voor het bereiken van bepaalde effecten wordt dit aantal
afgewisseld met vijf-jambige en zesjambige regels. Heel incidenteel komt men
een twee- of drievoudige jambe tegen.
[4] Zeer
plechtig klinkende zesvoudige jambe, met een duidelijke cesuur (korte
adempauze) na de derde versvoet. In Faust I komen geen complete passages voor
in deze versvorm, maar worden ze soms ingevoegd als paar van twee versregels in
madrigaalverzen of knittelverzen. Hierdoor krijgen de in de alexandrijnen
uitgedrukte woorden een speciaal, plechtig of (bij Mefisto) spottend-plechtig
effect.
[5] Trochee:
het omgekeerde van een jambe, nl. een tweeledige versvoet met de klemtoon op
de eerste klank. Geeft een dynamisch, lied-achtig effect (vgl. Schillers' "Ode an die Freude").
Komt in Faust I zelden voor (de Walburgsnacht).
[6] "Insel
Lessing": Lessings Werke, herausgegeben von Kurt Wörfel, Insel Verlag,
Frankfurt am Main, 1967, Bd. 1, p. 249 e.v.
[7] J.W.
von Goethe: "Verdichting en Waarheid", Ambo, Baarn, 1995, boek 1.
woensdag 12 februari 2014
Mijn privé-godsdienst
Ik ben uit de Kerk getreden, niet vanwege de bekende
schandalen, maar vanwege de dogmatische leerstellingen. Ik kon het niet meer
over mijn hart verkrijgen om iedere keer weer de twaalf artikelen van het
geloof uit te spreken. Toen ik daarover sprak met enkele mede-parochianen,
zeiden die, dat dat oude traditionele belijdenissen waren die je symbolisch
moest zien. Maar ik merkte daar niets van, niemand zei dat ooit, en ook Paulus
hamerde erop dat je moest blijven geloven in de goddelijkheid, het sterven en
weer uit de dood opstaan van Jezus Christus, want als je dat niet gelooft, zo
schreef hij in een van zijn brieven, kun je net zo goed het hele geloof
overboord kieperen.
Intussen had ik ook enkele boeken van vooraanstaande en erkende
geleerden gelezen over de historiciteit van Jezus en de geschiedenis van het
oudste christendom, en mijn twijfel sloeg om in zekerheid (voor zover je zeker
kunt zijn van iets dat je leest). Hij had hoogstwaarschijnlijk nooit bestaan,
en als hij had bestaan, dan was het een “rechtvaardige leraar” die enkele
decennia vóór Chr. had bestaan en voor de rechtvaardige zaak was gemarteld en
terechtgesteld. (Dat klopt ook met de rollen van Qumran, de Dode-Zee rollen
waarin sprake is van een “rechtvaardige leraar”, maar die helaas volgens de geleerden
niet Jezus kon zijn, want die leefde van 0-33 in onze jaartelling). In elk
geval was het deze Christus waar Paulus het steeds over heeft, en wiens leven
nog in de evangeliën moest worden beschreven. Deze evangelie-verhalen hebben
veel overeenkomsten met de levensgeschiedenis van Julius Caesar en er gebeuren
dingen in die ook zijn terug te vinden in de godsdienst van Mithras, ten tijde
van Jezus een populaire godsdienst onder de Romeinse militairen, en andere
godsdienstige verhalen uit die tijd. Jezus was tenslotte een rondtrekkend prediker,
zoals er toen vele waren in Palestina, een bekende is ook Simon de Magiër. Zij
legden de nadruk op een instand houden van Joodse waarden en normen en waren en
doorn in het oog van de Joden die met de Romeinen heulden vanwege de mooie
baantjes, en van de Farizeeën die zich erop beriepen dat zij de schrift-specialisten
waren. Daarom ook zei Jezus steeds “mijn rijk is niet van deze wereld”, en liet
hij de vraag of hij de koning der Joden was (Pilatus vroeg hem dat) in het
midden door te zeggen “gij zegt het”.
Intussen had ik ook de Ethica van Spinoza gelezen, en
commentaren daarop, en toen daagde het voor mij. Ik nam de uitdaging aan, om de
12 artikelen van het geloof, en tegelijk ook het prachtige gebed het “Onze
Vader” symbolisch om te vormen op een manier die voor mij persoonlijk acceptabel, of
liever, inspirerend kon zijn.
DE 12 ARTIKELEN VAN HET GELOOF (zoals ik ze zie)
1. Ik geloof in God,
de Almachtige Vader, schepper van hemel en aarde,
Ik geloof in God, de almachtige Kracht, Instandhouder van bewustzijn
en bestaan,
(De hemel
stel ik gelijk aan het bewustzijn, hiermee is bedoeld zowel het kosmische
bewustzijn dat de kosmos in stand houdt, als het menselijk bewustzijn, dat het
geweten en het besef van het bestaan inhoudt – een hemel als een soort geestelijk
paradijs bestaat niet in de natuurlijke werkelijkheid. God stel ik gelijk aan
de Kracht die zich bewust is, en die zichtbaar is in de natuurwetten en al het
waarneembare met zintuigen en instrumenten – ik geloof dus zeker, dat aan de kosmos
een kracht ten grondslag ligt die verankerd is in hoe de natuur zich vormt en
ontwikkelt, via de natuurwetten, die grotendeels aan onze waarneming zijn onttrokken
en die wij blijven onderzoeken)
2. En in Jezus
Christus, Zijn Enige Zoon, onze Heer,
En in de mens, zijn enige Zoon, onze Leidraad,
(Door vele
historische en schriftkundige onderzoeken is het bestaan van Jezus Christus
onzeker, waardoor ook de historische werkelijkheid van de evangelieverhalen en
het fundament van de brieven van Paulus aan ernstige twijfel onderhevig zijn –
hoewel de evangeliën zeer boeiende en voor het menselijk “bewustzijn”
waardevolle verhalen vormen. Paulus is in mijn ogen niets meer dan een
over-ijverige prediker, die zelf geen evangelie heeft gelezen, want hij werkte
voordat een evangelie was geschreven. Daarom vind ik de mens zelf de eigenlijke
“Jezus”, die moreel (“bewust”) volmaakt
was, het model dat wij willen volgen, het enige waar wij ons in ons gedrag aan
kunnen vastklampen als wij de “zuivere rede” te abstract vinden.)
3. Die ontvangen is
van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria
Die ontvangen is van de Natuur, geboren uit de sterren,
(De mens
komt voort uit de natuur, en kon net als andere levensvormen niet eerder
ontstaan dan nadat overal in het heelal gigantische sterren, na een bestaan van
miljarden jaren, zijn ontploft en hun elementen om zich heen hadden geblazen,
nog lang voordat zelfs de zon ontstond)
4. Die geleden heeft
onder Pontius PIlatus, is gekruisigd, gestorven en begraven,
Die geleden heeft onder rampen, is vernederd, gestorven en
vergeten,
(Pontius Pilatus
staat voor de ramp: ziekte, natuurrampen en ander onheil dat de Natuur
voortbrengt. De Romeinse keizer was de superieur van Pilatus, en in ons verhaal
is deze keizer God, de Kracht die alles regelt en in stand houdt – uiteindelijk
is het de mens zelf, die zichzelf (( d.w.z. medemensen)) martelt en kruisigt, naast de natuurrampen
die de mens eveneens bedreigen.
5. die nedergedaald is
ter helle; de derde dag verrezen uit de doden,
Die nedergedaald is tot het meest afschuwelijke kwaad;
daarna opnieuw verrezen
(Hoe
ernstig het kwaad ook is, de ene mens zal de andere, en ook zichzelf, weer tot
bewustzijn brengen)
6. Die opgestegen is
ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader,
Die tot bewustzijn is gekomen, dank zij God, de almachtige
Kracht,
(Spreekt
voor zich na artikel 5)
7. Vandaar zal Hij
komen oordelen de levenden en de doden.
Vandaaruit zal hij oordelen de bewusten en de onbewusten,
dood en levend.
(Het recht
zal aldus zijn loop hebben. Als dit al niet zo zal zijn, moeten we er toch naar
streven, want de mens (in de Chr. Godsdienst: Jezus) is niet God, maar neemt
deel in God doordat hij zich bewust is. Dat is niet voldoende om ook Gods
Kracht te bezitten, die oneindig is, en zelfs het kwaad zonder berechting kan
laten, daar moeten we vrede mee hebben als mens, ook al begrijpen we het niet.)
8. Ik geloof in de
heilige Geest;
Ik geloof in de Natuur,
(De natuur zie ik grotendeels zoals Spinoza haar ziet: niet als
God zelf, maar in stand gehouden door de Goddelijke Kracht, die zich in elk
onderdeel van de Natuur manifesteert. – De openbaringsboeken zoals Bijbel en
Koran zijn nuttige boeken, die we wel geheel bewust moeten lezen, want als we
blind varen op de inhoud ervan, dan doen we onszelf als bewuste wezens, en dus
God zelf, geweld aan, wat tot kwaad kan leiden).
9. De heilige
katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen;
De heilige wereldgemeenschap, het voorbeeld van de bewusten
die ons zijn voorgegaan,
(Spreekt
voor zich)
10. De vergiffenis van
de zonden;
Het wissen van het onbewuste;
(Het
bijbelse “zonde” is terugval in het onbewuste, dat “onwetend” is. Vgl. ook met “het
geweten”. Vgl. ook met “willens en wetens”: terwijl je bewust bent, weet je,
dat je terugvalt in het “onwetende” en ben je dus daardoor en daarvoor verantwoordelijk).
11. De verrijzenis van
het lichaam;
De overwinning van de rede;
(“het
lichaam” wordt traditioneel gezien als
tegenhanger van “de geest” of “de ziel”, en soort onstoffelijke
schaduw-entiteit die in of rond het lichaam zit. Ik geloof echter, dat deze
twee één zijn, waneer het lichaam sterft, sterft ook de ziel (als die er al zou
zijn). Bij “verrijzenis van het lichaam” stellen we ons begraafplaatsen voor,
waaruit de paar botten die er van je zijn overgebleven, uit hun graf oprijzen,
en door een wonder weer tot een mooi naakt lichaam worden gerepareerd, om ten
hemel te zweven, begeleid door bazuingeschal. Men kan zich “het lichaam” ook
voorstellen als de “rede” : de materialisering, de verwoording als het ware,
van het bewustzijn. Het Johannes-evangelie geeft hiervan ook een mooi beeld: in
het begin was het woord (Grieks: “logos”, dat ook “rede” betekent), en ik voeg
toe: nadat dit woord gepijnigd en op de proef is gesteld, ja zelfs gedood,
verrijst het toch weer. Zie ook artikel 5 – de model-mens verrijst, en wij ook,
als wij ons bewustzijn blijven volgen)
12. En het eeuwig
leven.
En het eeuwige bewustzijn.
Aan de
Kracht en het daarin aanwezige bewustzijn komt geen einde.
ONZE VADER – ONZE KRACHT
Onze Kracht, die in ons bewustzijn is,
Geheiligd worde Uw naam,
Uw koninkrijk kome,
Uw wil geschiede, in de wereld zowel als in ons bewustzijn,
Geef ons heden ons dagelijks brood,
En vergeef ons onze schuld,
Zoals ook wij onze schuldenaren vergeven,
En leid ons niet in verzoeking,
Maar verlos ons van het kwade. Amen.
dinsdag 4 februari 2014
Genesis volgens de natuurkunde
In den beginne bevond zich God in het middelpunt van het Niets. Het Niets was oneindig, zijn middelpunt was overal en zijn omtrek nergens.
Dit was oorzaak van een oneindige orde, en God sprak de wens uit dat Hij Zijn uitdrukking zou vinden in Chaos, wetmatig zoekende naar Orde, en de Orde zou weer tot Chaos keren, en de Chaos weer tot Orde.
En zo geschiedde het, dat God Zichzelve uitdijde in het Hem omsluitende Niets, dat tegelijk ook door Hem werd omsloten, in één reusachtige klap die alle klappen daarna overtrof. En de eerste dag was er Chaos.
De tweede dag raakten de stof en de krachten welke tot die dag in God verborgen waren, in een zoekende beweging, alsof zij zichzelve tot hun Oorsprong wilden herstellen. Dit was de Wil van God, dezelfde Wil, die Zichzelve de vorige dag in hen had uitgedrukt.
De derde dag splitste God Zijn stof en krachten op in polen die elkander afstoten en aantrekken, aldus vormende de eerste stap op weg naar de Orde, weerkerend naar de Chaos, en de Chaos, weerkerend naar de Orde.
De vierde dag vormden zich in Gods uitdrukking deeltjes, ontelbaar in aantal, die onder invloed van aantrekkende en afstotende krachten zich met elkander verbonden of uit elkander gingen.
De vijfde dag ontstond op vele plaatsen in Gods uitdrukking Chaos die zich uitte in enorme klappen welke ontstonden na aantrekking van vele deeltjes en samenklonteringen van deeltjes. En na de klappen ontstond wederom Orde, en alom was straling van krachtige golven en ballen van reusachtig heet vuur.
Aldus openbaarde Gods grootheid zich aan Hemzelf, en zag God hoe Hij was uitgedrukt. En hij zag, dat het goed was. Maar buiten Zichzelve was er niemand die Zijn grootheid en Deszelfs uitdrukking kon waarnemen. Voor het ontstaan van ooggetuigen, die delen waren van Gods uitdrukking, maar desondanks deze uitdrukking ook konden waarnemen en er zich van bewust konden zijn, waren de zesde en de zevende dag nodig.
De zesde dag had Gods uitdrukking gedurende era's van miljarden en miljarden zonsomwentelingen de gelegenheid gehad in ontelbare cycli van Chaos naar Orde, op vele samenklonteringen van stof, zich tot zichzelf voortplantende klonteringen te ontwikkelen, zo groot was de Orde op die klonteringen geworden. Alles verliep geheel volgens Gods Wil, die in de samenklonteringen aanwezig was als Zijn uitdrukking. De zichzelf voortplantende samenklonteringen gebruikten de krachten en stoffen om hen heen om zichzelve in stand te houden tot hun ontbinding na hun voortplanting.
De zevende dag geschiedde het, dat God Zijn eigen uitdrukking kon waarnemen in een samenklontering die zichzelve kon kennen, zoals God Zichzelve kende. Ook in hem, de mens, en op ander samenklonteringen, die de mens planeten noemde, vond God Zijn uitdrukking van elkaar aantrekkende en afstotende krachten. En God zag wederom, dat het goed was.
De mens echter bevatte weliswaar God, maar was zelf geen God doch onderdeel van Zijn uitdrukking, en ondervond de krachten van afstoting en aantrekking. Geheel zelfstandig, als goden, zocht hij naar harmonie tussen deze krachten en noemde dat "goed". Gebrek aan evenwicht tussen deze krachten noemde hij "kwaad". Maar omdat de mens weliswaar als goden handelt, maar zelf geen God is, verloopt deze zoektocht naar Orde niet zoals God het Zelf gedaan zou hebben, hoewel de zoektocht van de mens wel Gods Wil en uitdrukking is.
Dit was oorzaak van een oneindige orde, en God sprak de wens uit dat Hij Zijn uitdrukking zou vinden in Chaos, wetmatig zoekende naar Orde, en de Orde zou weer tot Chaos keren, en de Chaos weer tot Orde.
En zo geschiedde het, dat God Zichzelve uitdijde in het Hem omsluitende Niets, dat tegelijk ook door Hem werd omsloten, in één reusachtige klap die alle klappen daarna overtrof. En de eerste dag was er Chaos.
De tweede dag raakten de stof en de krachten welke tot die dag in God verborgen waren, in een zoekende beweging, alsof zij zichzelve tot hun Oorsprong wilden herstellen. Dit was de Wil van God, dezelfde Wil, die Zichzelve de vorige dag in hen had uitgedrukt.
De derde dag splitste God Zijn stof en krachten op in polen die elkander afstoten en aantrekken, aldus vormende de eerste stap op weg naar de Orde, weerkerend naar de Chaos, en de Chaos, weerkerend naar de Orde.
De vierde dag vormden zich in Gods uitdrukking deeltjes, ontelbaar in aantal, die onder invloed van aantrekkende en afstotende krachten zich met elkander verbonden of uit elkander gingen.
De vijfde dag ontstond op vele plaatsen in Gods uitdrukking Chaos die zich uitte in enorme klappen welke ontstonden na aantrekking van vele deeltjes en samenklonteringen van deeltjes. En na de klappen ontstond wederom Orde, en alom was straling van krachtige golven en ballen van reusachtig heet vuur.
Aldus openbaarde Gods grootheid zich aan Hemzelf, en zag God hoe Hij was uitgedrukt. En hij zag, dat het goed was. Maar buiten Zichzelve was er niemand die Zijn grootheid en Deszelfs uitdrukking kon waarnemen. Voor het ontstaan van ooggetuigen, die delen waren van Gods uitdrukking, maar desondanks deze uitdrukking ook konden waarnemen en er zich van bewust konden zijn, waren de zesde en de zevende dag nodig.
De zesde dag had Gods uitdrukking gedurende era's van miljarden en miljarden zonsomwentelingen de gelegenheid gehad in ontelbare cycli van Chaos naar Orde, op vele samenklonteringen van stof, zich tot zichzelf voortplantende klonteringen te ontwikkelen, zo groot was de Orde op die klonteringen geworden. Alles verliep geheel volgens Gods Wil, die in de samenklonteringen aanwezig was als Zijn uitdrukking. De zichzelf voortplantende samenklonteringen gebruikten de krachten en stoffen om hen heen om zichzelve in stand te houden tot hun ontbinding na hun voortplanting.
De zevende dag geschiedde het, dat God Zijn eigen uitdrukking kon waarnemen in een samenklontering die zichzelve kon kennen, zoals God Zichzelve kende. Ook in hem, de mens, en op ander samenklonteringen, die de mens planeten noemde, vond God Zijn uitdrukking van elkaar aantrekkende en afstotende krachten. En God zag wederom, dat het goed was.
De mens echter bevatte weliswaar God, maar was zelf geen God doch onderdeel van Zijn uitdrukking, en ondervond de krachten van afstoting en aantrekking. Geheel zelfstandig, als goden, zocht hij naar harmonie tussen deze krachten en noemde dat "goed". Gebrek aan evenwicht tussen deze krachten noemde hij "kwaad". Maar omdat de mens weliswaar als goden handelt, maar zelf geen God is, verloopt deze zoektocht naar Orde niet zoals God het Zelf gedaan zou hebben, hoewel de zoektocht van de mens wel Gods Wil en uitdrukking is.
dinsdag 28 januari 2014
Oranje: "Ik zal handhaven" ("Je maintiendrai")
Diverse landen hebben koningen of andere adellijke oppergezagsdragers. In het westen, en trouwens ook de keizer van Japan, hebben deze vorsten wettelijk meestal niets in het landsbestuur in te brengen. Hun "gezag" berust op traditie en soms (niet altijd) de verbondenheid van hun familie-geschiedenis met die van het land. Informeel hebben ze vaak wel de nodige invloed, van Wilhelmina van Nederland (we gaan het hier verder over Nederland hebben) is bekend, dat zij stevige invloed probeerde uit te oefenen op onze staatsvorm: zij wilde de parlementaire democratie omvormen tot een ander soort democratie met vertegenwoordigende lichamen uit de maatschappelijke geledingen zoals bedrijfsleven, boeren, enz., dus een soort "standen-democratie", natuurlijk onder het oppergezag van Oranje. Zeer tot haar ongenoegen werd dit door "haar" ministers tegengehouden. Een koning kan ook bepaalde mensen bevoordelen voor bepaalde functies, of juist benadelen. Voorbeeld: Camiel Eurlings werd door Willem Alexander "gepusht" als lid van het I.O.C. Wilhelmina wilde bv. in de buurt van Het Loo geen vluchtelingencentrum hebben voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland tijdens het nazi-bewind. (Juliana had het ook aan de stok met de gemeente omdat zij een bouwvergunning nodig had voor uitbreiding van het zwembad in de tuin achter paleis Soestdijk, maar anders dan bij het vluchtelingencentrum bij Wilhelmina, werd haar wens niet ingewilligd - haar moeder had meer gezag dan zij).
Na Beatrix, die genoot van haar koningschap en dat op voorbeeldige wijze vervulde ondanks diep familieleed met haar vader, haar overleden echtgenoot en haar zoon), kwam Willem-Alexander. Net als Beatrix provoceerde hij de natie met de keuze van een gemalin, die echter net als zijn vader en grootvader dat waren (even los gezien van de schelmenstreken en misdrijven van de laatste), charmant genoeg was om zich bij de oranjeklanten geliefd te maken. Hij is anders dan zijn moeder iemand die het koningschap niet ziet als roeping of hoogste plicht, maar als gewoon een baan. Dat straalt hij uit, maar probeert ook niet net als zijn grootmoeder "zo gewoon mogelijk" te doen. Het hoort nu eenmaal bij zijn baan om het allemaal zo goed mogelijk mee te spelen, en een koning is nu eenmaal niet "gewoon".
Ik zei: "mee te spelen", want dat is het. Alles rond de koning, zijn paleis, zijn familie, het protocol, de hofhouding, het is allemaal een mengeling van "echt" en "spel, zelfs de eed die de kamerleden op hem afleggen hoeft niet als echte eed te worden gezien. Dat wordt "symbolisch" genoemd, maar wat betekent dat woord eigenlijk in deze tijd? Hij is de gouden rand rondom bezoeken van het Nederlands bedrijfsleven aan andere landen, hij geeft de inwoners van de Antillen het gevoel dat ze er ook bijhoren, hij deelt lintjes uit, die als "een grote eer" worden gezien, het leger heeft dankzij hem (symbolisch) bestaansrecht, enzovoort. In de oorlog was Wilhelmina het levende symbool van de haat tegen de bezetter en de hoop op bevrijding.
Wat zouden we zijn zonder Oranje?
Een republiek. Vroeger waren we een republiek, en de Oranjes deden er toen alles aan om meer macht te verwerven, zodat we op zijn minst een vorstendom zouden worden. De Republiek had de Oranjes nodig als legeraanvoerders, maar niet meer dan dat, vandaar dat ze "stadhouder" bleven heten, naar hun vroegere functie toen de Habsburgers nog de baas waren over de Nederlanden en ze daar stadhouders nodig hadden als een soort commissarissen van de koning. Telkens liepen de pogingen spaak om als vorst over de Nederlanden te heersen, hoezeer ook Maurits en de Oranjekoning van Engeland, tevens stadhouder Willem III in de Nederlanden, daar hun best voor deden.
De Republiek zorgde voor de welvaart en het geld, en de Oranjes voor de krijgskunst om die te verdedigen, en die twee leefden niet in vriendschap maar in afgunst. Pas in 1747 werd Willem IV erfstadhouder, een soort vorstelijke titel. De titel "prins van Oranje" werd betwist, ook de koning van Pruisen eigende haar zich toe, maar maakte er verder geen gebruik van. Waren de Oranjes aanvankelijk geliefd bij het gewone volk dat zich door de regenten-elite uitgebuit voelde, later, na Willem III, was Oranje meer verbonden met de elite die, nu Nederlands rol op het wereldtoneel sterk was verminderd, via Oranje haar lucratieve baantjes en ambten onderling verdeelde, want geld was er nog zat, niet in het minst bij de Oranjes. Als reactie hierop ontstond de patriotten-beweging, die naar het Franse voorbeeld de republiek wilde herstellen, en Willem V vluchtte naar Engeland. De Bataafse republiek werd gevestigd, en de Franse tijd brak aan. Sindsdien bleef Oranje tot Wilhelmina een vorst voor de elite, maar de elite deed wel haar uiterste best om Oranje "in de markt te zetten" als vorsten van het volk, wat op den duur aardig lukte. Troelstra's revolutie-poging werd erdoor afgewend, met veel "volksvertoon" op het Malieveld, en steun vanuit vooral de protestantse kerken, die Oranje gebruikten als bolwerk tegen het Roomse gevaar. Zowel kerk als "kapitaal" schaarden zich rond Oranje om ook het rode gevaar af te wenden, en zo kon Wilhelmina haar bezielende woorden vanuit Londen prima inzetten tegen het Nazi-gevaar. Na de oorlog was Oranje het nationale symbool bij uitstek geworden.
Echter, haar grootvader koning Willem II moest buigen voor een ongehoord ver-gaande nieuwe Grondwet. Bevreesd voor revolutionaire woelingen in Europa, had hij een commissie benoemd voor herziening ven de Grondwet onder leiding van de geniale Thorbecke, die dit gevaar moest keren.
Deze commissie presenteerde een nieuwe Grondwet, die de koning beroofde van praktisch alle politieke macht. Echter, de koning had geen keus: het was slikken of stikken. Als hij had geweigerd de nieuwe Grondwet te tekenen, was de kans groot dat hij eenvoudig was afgezet. Een volksopstand had dit waarschijnlijk niet uitgelokt, daarvoor was het koningschap nog te jong, en de elite had er bovendien genoeg van en koning bijvoorbeeld ongestraft de staatskas naar believen kon aanwenden voor persoonlijke doelen, of voor die projecten die hem goeddunkten (bijvoorbeeld het aanleggen van spoorwegen, het graven van kanalen enz), of dat de koning naar eigen believen landsdelen kon ruilen met andere vorsten, zoals Limburg voor Luxemburg. Ook kon de koning met de koloniën doen wat hem goeddunkte, Willem I bijvoorbeeld spekte zijn privé-kas met slaven- en opiumhandel in Nederlandsch Indië, waarover hij het oppergezag had. Willem II was zeer gesteld op het enorme vermogen dat hij van zijn vader had geëerfd, en een Republiek zou zeker hierop beslag leggen wanneer hij de nieuwe Grondwet niet zou tekenen. Liever een vorst zonder macht dan zonder geld moet hij gedacht hebben, toen hij in 'korte tijd van fel tegenstander tegen de Grondwetsherziening, fel voorstander was geworden. Bij mijn weten is er geen verslag van de gesprekken die toen hebben plaatsgevonden, maar in elk geval stelde Willem II een commissie in die de bestaande Grondwet, die de koning veel macht gaf, moest herzien. Per slot van rekening had ook de toenmalige elite belang bij het voortbestaan van het koninkrijk, wat een verlies aan banen zou er niet plaatsvinden bij een revolutionaire vestiging van een republiek, en had niet de elite de vader van Willem II gesmeekt om vanuit Engeland naar Scheveningen te zeilen en hier het soeverein vorst-schap op zich te nemen?
Wat betekent deze geschiedenis nu voor de Oranje-familie en haar band met het volk in deze tijd, nu Willem-Alexander koning is?
Bijna niets. Het zijn leuke verhalen, leuk om te weten, maar niet essentieel. Ook als Willem II een tiran zou zijn geweest, een ruwe dictator, die ondanks revolutionaire woelingen erin geslaagd zou zijn koning te blijven, was Oranje in 2014 populair. Maurits onthoofdde Oldenbarneveldt, en stadhouder Willem III keurde goed dat de gebroeders De Witt gelyncht werden, koning Willem I verarmde het land en verspeelde België met zijn openlijk protestantse voorkeuren, koning Willem III was een halve gare barbaar (daarom wil Willem Alexander geen Willem IV heten), de prinsen Hendrik en Bernhard liepen rokken achterna en waren kampioen-schuldenmakers en fraudeurs, het geeft allemaal niets.Ook niet, dat het Beatrix sierde dat zij haar kroonprins "Willem-Alexander" noemde, als en soort eerherstel voor de ziekelijke kroonprins van Willem III, die door zijn vader op onvoorstelbaar schandalige wijze was behandeld. Alexander? Wie is dat? O, die van de televisie-serie, wat voor prins was dat ook alweer?
De populariteit van Oranje is het resultaat van een intensieve reclame-campagne die sinds de regeerperiode van koningin-regentes Emma over het volk is uitgestort door de protestantse en liberale elite, als psychologische beschermingsdeken tegen allerlei grote buitenlandse gevaren: het Roomse gevaar en het Rode Gevaar waren daarvan de voornaamste. Vakbonden en de opkomende S.D.A.P., de voorloper van de PvdA, en Rome waren daarbij de boemannen. Na de Rooms-katholieke emancipatie voegde ook de katholieke elite zich in die rij van Oranje-aanbidders, met het oprichten van RK werkliedenverbonden en liefdadigheids-instellingen, zoals de protestanten die ook hadden. In het geheim was voor de echte katholiek echter de paus belangrijker dan Oranje, zo niet bij de oprechte protestant, die Oranje bleef zien als de kracht die het verderfelijke Roomse geloof het land uitdreef. Wilhelmina toonde zich ook een fel bestrijdster van het nazisme, ondanks haar goedkeuring van prins Bernhard als gemaal voor haar dochter, met zijn Duitse CV, dat sympathie voor het nazisme liet zien. Zelfs benoemde zij hem tot opperbevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten in de tijd rond de bevrijding, want ze had in de gaten dat hij, eenmaal prins-gemaal, een Oranje was geworden en als zodanig niet kon worden bekritiseerd, maar op populair makende posten moest worden benoemd.
Sinds die tijd vertoont Oranje, of liever vertonen haar beschermers, de maatschappelijke elite van politiek en zakenleven, een perfecte feeling voor de maatschappelijke krachten die haar op de troon houden en haar positie versterken. Haar familie-geschiedenis is daarbij niet belangrijk, maar wel hoe ze overkomt in een bepaald tijdsgewricht. Zo is nu de tijd van gevaarlijke vakbonden, socialisme en communisme voorbij, en staan economie en commercie op de eerste plaats. Zo ga je inzien, hoe de maatschappelijke elite Oranje voor zijn doeleinden blijft gebruiken, zoals ze dat sinds stadhouder Willem IV al gedaan heeft. Je kunt vraagtekens stellen bij de laatste staatsbezoeken van Beatrix, als je je dat niet voor ogen houdt: ze ging naar steenrijke olievorstendommetjes, waarvan je je af kunt vragen wat Nederland daar nou mee heeft, en ook Willem-Alexander is al bij Putin geweest. Amusement en volksvermaak zijn in deze tijd ook erg belangrijk, zie de feestvierderij en het "Droomboek" (!) rond de inhuldiging van .Willem-Alexander, en de traditionele koninginnedagvieringen. Ook zal Willem-Alexander breed aanwezig zijn op het commerciële amusementsfestijn van de Olympische Winterspelen 2014.
De PR voor Oranje uit zich vooral in de manier waarop de jeugd er kennis mee maakt. Als je kinderen ergens voor wint, of een bepaald beeld voorhoudt, blijven ze dat hun hele leven diep van binnen met zich meedragen. Kinderen kennen koningen uit sprookjes en hebben daar een mooi plaatje bij van rechtvaardigheid, oppermacht, belangrijkheid. En wat zegt de juf op school? Wij hebben óók een koning! En de kinderen op christelijke scholen weten, dat ook Jezus "koning" wordt genoemd. "Gelukkig" hebben ook moslim-kinderen uit Marokko in hun land een geliefde koning, zodat ze met dit begrip ook mooi uit de voeten kunnen, zelfs meer dan met een koningin. Nu, in 2014, wordt koningsdag op een andere datum gevierd dan onder Juliana en Beatrix gebruikelijk was, en staan de kranten alweer vol met bezorgde artikelen over scholen die dan wegens vakantie dicht zijn, en hoe dat dan moet, want een school kan natuurlijk niet zonder koningsdag-spelletjes.
De bescherming van Oranje door politiek en zakenleven gaat zeer ver. Zodra de koning iets politieks zegt of doet, of zodra ruzie of disharmonie binnen de Oranje-familie naar buiten komt, valt al gauw het woord constitutionele crisis. Ook is uitvoerig bij wet geregeld, wie er moet opvolgen of regent zijn wanneer de koning onverhoopt niet meer zou kunnen "regeren". Enkele recente voorbeelden die voor beroering zorgden zijn de keuze van de dochter van en Argentijnse fascist als gemalin, (minister van Staat Max van der Stoel ging naar de aanstaande schoonvader om hem ervan te weerhouden bij het huwelijk aanwezig te zijn), de Lockheed-affaire en de zaak rond gebedsgenezeres Greet Hofman. Ook de té pacifistisch gevonden redevoeringen van Juliana voor de V.N. zorgden voor kromme tenen. Bernhard vond dit schandalig, en dat zorgde weer voor gespannen verhoudingen ten paleize, later kreeg hij zelf een affaire aan zijn broek, die door de politiek met de grootste omzichtigheid werd behandeld. Gezucht en gesteun bij de politiek ook weer bij de rechtszaak van de nicht van de koningin en haar man tegen haar tante.
Het volk maakt dit alles niet zoveel uit, het hoort nu eenmaal bij het leven van een super-rijke familie, en het aanzien van Oranje wordt er niet of nauwelijks door verstoord. Integendeel, men leeft mee, zoals men meeleeft met de mensen in een TV-serie.
Wat is dat toch, die overbezorgdheid van vooral de politiek, om een koninkrijk te behouden onder een koning die vrijwel niets heeft in te brengen in het landsbestuur, hoewel hij daar wel het opperhoofd van is? Waarom grijpt de politiek niet de eerste de beste gelegenheid aan om er een eind aan te maken? Allereerst natuurlijk de vrees voor stemmenverlies, en ten tweede het landsbelang in economische zin, tot uiting komend in lucratieve opdrachten na een staatsbezoek.
1. Vrees voor stemmenverlies.
Het klinkt paradoxaal, maar hoe minder macht de koning in het landsbestuur heeft, des te machtiger wordt hij in het land zelf, als schijnbaar noodzakelijke voorwaarde voor een goed bestuur. De koning mag niets zeggen dat politiek beladen is, andersom mag een kamerlid bij stilzwijgende afspraak niets kritisch over de koning of het koningshuis zeggen. Beide zijn eigenlijk een onjuiste interpretatie van de grondwettelijke bepaling dat de koning onschendbaar is, en de ministers verantwoordelijk. Stel de koning zegt iets politieks, bijvoorbeeld een mening over de bezuinigingen, of over welke kant het op zou moeten met Europa. (Beatrix heeft al eens voorzichtig iets algemeens over Europa gezegd, wat zonder gevolgen bleef). Dat kan twee soorten gevolgen hebben:
a. De minister is verantwoordelijk, de koning onschendbaar. De oppositie gaat in de Tweede Kamer vragen, of de minister het eens is met de koning en zo ja, waarom en zo nee, waarom niet. Dit heeft louter het karakter van politieke profilering, want de wens of het idee van de koning heeft op zichzelf geen politieke gevolgen: de koning kan geen wetten indienen of wijzigen, laat staan afkondigen. Zijn handtekening onder wetten is puur decoratie. De minister zal gewoon antwoorden en hoogstens zeggen dat het de persoonlijke mening van de koning is, die mag hij hebben, en de Kamer gaat over tot de orde van de dag.
b. Omdat de koning populair is en puur ook omdat hij staatshoofd is, kan hij met het uiten van een politieke mening wel de verkiezingsuitslag en dus de mening van kiezers beïnvloeden, en dat is uit den boze, want hij is koning voor alle Nederlanders. Het staat nergens in de Grondwet, maar de koning wordt bij ongeschreven wet geacht "boven de partijen" te staan. Alleen in het aller- aller-uiterste extreme geval, als Nederland bijvoorbeeld wordt bezet door een buitenlandse mogendheid of wanneer half Nederland overstroomd wordt, enz. wordt van hem een mening verwacht. Ik ga hier straks nog even op door, nu volsta ik met de constatering dat hij altijd zijn mond houdt over politieke aangelegenheden, omdat hij volgens een ongeschreven wet "boven de partijen" staat, en dat zijn zwijgen hierover niet wordt bepaald door de geschreven wet dat hij onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk.
2. Het landsbelang in economische zin.
De economie van het land is sinds enkele decennia de voornaamste reden geworden voor een staatsbezoek. Staatsbezoeken zijn uitgebreide manifestaties, en zijn in de negentiende eeuw ontstaan, met de uitbreiding van de reis- en transportmogelijkheden. Daarvóór reisden vorsten voornamelijk incognito, als ze al op reis gingen, wat een zeldzaamheid was. Staatsbezoeken worden langzamerhand noodzaak gevonden, omdat alle belangrijke landen elkaar op die manier bezoeken, en het vreemd wordt gevonden om daar als land niet aan mee te doen, je zou dan minder meetellen. Vooral als het een vorst betreft, zijn staatsbezoeken enorm kostbaar en uitgebreid, een vorst haalt alles uit de kast om "indruk te maken". Het niet indruk willen of kunnen maken door de ontvangende, maar ook de bezoekende vorst, kan als onbeleefdheid of karigheid worden opgevat, en dat moet natuurlijk ten koste van alles worden vermeden. Alleen Wilhelmina hield niet van staatsbezoeken, slechts enkele landen mochten zich in haar bezoek verheugen, waaronder België. Juliana en Beatrix daarentegen bezochten een lange lijst van landen, het bezoek aan Engeland wordt in Wikipedia beschreven als bijzonder uitgebreid en luxueus, met het overvliegen van 110 personeelsleden en een overvloed aan maaltijd-ingrediënten en tafelgerei. Critici stellen vragen bij het economisch nut van staatsbezoeken. Weliswaar volgen uit een staatsbezoek nuttige economische contacten, maar de vraag is of zij zonder zo'n bezoek niet evengoed tot stand gekomen zouden zijn, wat zeker geldt voor bezoeken aan en van Europese landen. Ik neig ertoe om het verschijnsel "staatsbezoek" te zien als overblijfsel van de grote staat die vorsten voerden toen ze nog wat hadden in te brengen. Ze zijn "symbolisch" geworden, en dat heeft ook weer te maken met ongeschreven regels.
Conclusie: Het Nederlandse koningschap is met de Grondwet van 1848 gereduceerd van reëel vorst tot "ere-staatshoofd" dat in naam staatshoofd is, en net als daarvóór erfelijk blijft en dat een vorstelijke staat mag voeren (bijvoorbeeld het bezit van een enorm en geheim privé-vermogen, en vorstelijke staats-uitkering voor alle individuele leden van het koningshuis en het niet hoeven betalen van belasting) en gunsten zoals onderscheidingen kan uitdelen, een bijzondere band met het leger en het aanwezig zijn bij nationale evenementen. Niettemin blijft het een verankering van de nationale identiteit, dankzij de grote eerbied die allerwegen voor de vorst en zijn familie wordt betoond, en die louter is gebaseerd op het lidmaatschap van die familie. Nog steeds zien we in Nederland de oude koning Willem I, maar dan zonder diens macht. De elite heeft sinds de revolutionaire beroeringen in het midden van de negentiende eeuw naar het volk toe angstvallig het beeld van een almachtig en alwijs vorst, de opvolger van Willem van Oranje, besluitvaardig, barmhartig en daadkrachtig, in stand gehouden, en de liefde voor Oranje te allen tijde gepredikt. In landen waar de maatschappelijke elite dit verzuimde, zien we ook wankele vorstenhuizen, zoals in België en Spanje. Na de vreselijke koning Willem III moest een dergelijke blunder worden voorkomen om dit beeld te herstellen, en Wilhelmina werd inderdaad de kordate en besluitvaardige vorstin die men voor ogen had. Zij was ook het voorbeeld voor Beatrix, die zich geërgerd moet hebben aan de gewoonheid, het pacifisme en het openstaan voor spirituele invloeden van haar moeder.
De koning politiek boven de partijen? We hebben gezien, dat Oranje vooral is opgehemeld en ondersteund in eendrachtige samenwerking tussen de protestantse kerken en de liberalen, en het vermoeden is zeer gewettigd, dat dit gebeurde om eerst de revolutionaire republikeinen, en later de socialisten te bestrijden. Wie tegen Oranje was, was zo'n beetje een landverrader, ook al had de vorst, het zij herhaald, staatsrechtelijk niets in te brengen.
De Roomse en socialistische bedreigingen zijn anno 2014 verleden tijd, maar Oranje is intussen traditie geworden, een onderdeel van de nationale identiteit. Hoewel in de eerste decennia van het koninkrijk het de gewoonste zaak van de wereld was (hoewel niet in dank afgenomen) om kritiek te hebben op het koningschap (als het maar geen majesteitsschennis werd, dat was strafbaar), is dat nu een marginaal verschijnsel geworden, dat tot arrestaties leidt van kleine groepjes vreedzame demonstranten die voor de Republiek pleiten tijdens een openbaar Oranje-festijn, en het buiten-proportioneel zwaar straffen van een zonderling die tijdens een jaarlijks theaterstuk ("Rit naar de Staten-Generaal") een theelichtjes-houder naar de Gouden Koets wierp. Deze man herinnerde terecht aan de vele kinken en losse schakels in de afstamming van de Oranjes, maar werd daarin steeds genegeerd: men wil gewoon niet horen of publiceren, dat de huidige "Oranjes" gewoon nakomelingen zijn van lagere Duitse adel, en al helemaal niet van Willem de Zwijger, en dat de mannelijke overdracht van de familienaam bij speciale wet voor de Oranjes niet geldt, maar voor iedere andere Nederlander of Nederlandse tot voor kort wel. Oranje is volksvermaak geworden, of, als men dat te oneerbiedig vindt, een stukje Nederlands cultureel erfgoed, goed om enkele malen per jaar een theaterstuk op te voeren, vorstelijk betaald en als staatshoofd geëerbiedigd en door het volk toegejuicht te worden.
Na Beatrix, die genoot van haar koningschap en dat op voorbeeldige wijze vervulde ondanks diep familieleed met haar vader, haar overleden echtgenoot en haar zoon), kwam Willem-Alexander. Net als Beatrix provoceerde hij de natie met de keuze van een gemalin, die echter net als zijn vader en grootvader dat waren (even los gezien van de schelmenstreken en misdrijven van de laatste), charmant genoeg was om zich bij de oranjeklanten geliefd te maken. Hij is anders dan zijn moeder iemand die het koningschap niet ziet als roeping of hoogste plicht, maar als gewoon een baan. Dat straalt hij uit, maar probeert ook niet net als zijn grootmoeder "zo gewoon mogelijk" te doen. Het hoort nu eenmaal bij zijn baan om het allemaal zo goed mogelijk mee te spelen, en een koning is nu eenmaal niet "gewoon".
Ik zei: "mee te spelen", want dat is het. Alles rond de koning, zijn paleis, zijn familie, het protocol, de hofhouding, het is allemaal een mengeling van "echt" en "spel, zelfs de eed die de kamerleden op hem afleggen hoeft niet als echte eed te worden gezien. Dat wordt "symbolisch" genoemd, maar wat betekent dat woord eigenlijk in deze tijd? Hij is de gouden rand rondom bezoeken van het Nederlands bedrijfsleven aan andere landen, hij geeft de inwoners van de Antillen het gevoel dat ze er ook bijhoren, hij deelt lintjes uit, die als "een grote eer" worden gezien, het leger heeft dankzij hem (symbolisch) bestaansrecht, enzovoort. In de oorlog was Wilhelmina het levende symbool van de haat tegen de bezetter en de hoop op bevrijding.
Wat zouden we zijn zonder Oranje?
Een republiek. Vroeger waren we een republiek, en de Oranjes deden er toen alles aan om meer macht te verwerven, zodat we op zijn minst een vorstendom zouden worden. De Republiek had de Oranjes nodig als legeraanvoerders, maar niet meer dan dat, vandaar dat ze "stadhouder" bleven heten, naar hun vroegere functie toen de Habsburgers nog de baas waren over de Nederlanden en ze daar stadhouders nodig hadden als een soort commissarissen van de koning. Telkens liepen de pogingen spaak om als vorst over de Nederlanden te heersen, hoezeer ook Maurits en de Oranjekoning van Engeland, tevens stadhouder Willem III in de Nederlanden, daar hun best voor deden.
De Republiek zorgde voor de welvaart en het geld, en de Oranjes voor de krijgskunst om die te verdedigen, en die twee leefden niet in vriendschap maar in afgunst. Pas in 1747 werd Willem IV erfstadhouder, een soort vorstelijke titel. De titel "prins van Oranje" werd betwist, ook de koning van Pruisen eigende haar zich toe, maar maakte er verder geen gebruik van. Waren de Oranjes aanvankelijk geliefd bij het gewone volk dat zich door de regenten-elite uitgebuit voelde, later, na Willem III, was Oranje meer verbonden met de elite die, nu Nederlands rol op het wereldtoneel sterk was verminderd, via Oranje haar lucratieve baantjes en ambten onderling verdeelde, want geld was er nog zat, niet in het minst bij de Oranjes. Als reactie hierop ontstond de patriotten-beweging, die naar het Franse voorbeeld de republiek wilde herstellen, en Willem V vluchtte naar Engeland. De Bataafse republiek werd gevestigd, en de Franse tijd brak aan. Sindsdien bleef Oranje tot Wilhelmina een vorst voor de elite, maar de elite deed wel haar uiterste best om Oranje "in de markt te zetten" als vorsten van het volk, wat op den duur aardig lukte. Troelstra's revolutie-poging werd erdoor afgewend, met veel "volksvertoon" op het Malieveld, en steun vanuit vooral de protestantse kerken, die Oranje gebruikten als bolwerk tegen het Roomse gevaar. Zowel kerk als "kapitaal" schaarden zich rond Oranje om ook het rode gevaar af te wenden, en zo kon Wilhelmina haar bezielende woorden vanuit Londen prima inzetten tegen het Nazi-gevaar. Na de oorlog was Oranje het nationale symbool bij uitstek geworden.
Echter, haar grootvader koning Willem II moest buigen voor een ongehoord ver-gaande nieuwe Grondwet. Bevreesd voor revolutionaire woelingen in Europa, had hij een commissie benoemd voor herziening ven de Grondwet onder leiding van de geniale Thorbecke, die dit gevaar moest keren.
Deze commissie presenteerde een nieuwe Grondwet, die de koning beroofde van praktisch alle politieke macht. Echter, de koning had geen keus: het was slikken of stikken. Als hij had geweigerd de nieuwe Grondwet te tekenen, was de kans groot dat hij eenvoudig was afgezet. Een volksopstand had dit waarschijnlijk niet uitgelokt, daarvoor was het koningschap nog te jong, en de elite had er bovendien genoeg van en koning bijvoorbeeld ongestraft de staatskas naar believen kon aanwenden voor persoonlijke doelen, of voor die projecten die hem goeddunkten (bijvoorbeeld het aanleggen van spoorwegen, het graven van kanalen enz), of dat de koning naar eigen believen landsdelen kon ruilen met andere vorsten, zoals Limburg voor Luxemburg. Ook kon de koning met de koloniën doen wat hem goeddunkte, Willem I bijvoorbeeld spekte zijn privé-kas met slaven- en opiumhandel in Nederlandsch Indië, waarover hij het oppergezag had. Willem II was zeer gesteld op het enorme vermogen dat hij van zijn vader had geëerfd, en een Republiek zou zeker hierop beslag leggen wanneer hij de nieuwe Grondwet niet zou tekenen. Liever een vorst zonder macht dan zonder geld moet hij gedacht hebben, toen hij in 'korte tijd van fel tegenstander tegen de Grondwetsherziening, fel voorstander was geworden. Bij mijn weten is er geen verslag van de gesprekken die toen hebben plaatsgevonden, maar in elk geval stelde Willem II een commissie in die de bestaande Grondwet, die de koning veel macht gaf, moest herzien. Per slot van rekening had ook de toenmalige elite belang bij het voortbestaan van het koninkrijk, wat een verlies aan banen zou er niet plaatsvinden bij een revolutionaire vestiging van een republiek, en had niet de elite de vader van Willem II gesmeekt om vanuit Engeland naar Scheveningen te zeilen en hier het soeverein vorst-schap op zich te nemen?
Wat betekent deze geschiedenis nu voor de Oranje-familie en haar band met het volk in deze tijd, nu Willem-Alexander koning is?
Bijna niets. Het zijn leuke verhalen, leuk om te weten, maar niet essentieel. Ook als Willem II een tiran zou zijn geweest, een ruwe dictator, die ondanks revolutionaire woelingen erin geslaagd zou zijn koning te blijven, was Oranje in 2014 populair. Maurits onthoofdde Oldenbarneveldt, en stadhouder Willem III keurde goed dat de gebroeders De Witt gelyncht werden, koning Willem I verarmde het land en verspeelde België met zijn openlijk protestantse voorkeuren, koning Willem III was een halve gare barbaar (daarom wil Willem Alexander geen Willem IV heten), de prinsen Hendrik en Bernhard liepen rokken achterna en waren kampioen-schuldenmakers en fraudeurs, het geeft allemaal niets.Ook niet, dat het Beatrix sierde dat zij haar kroonprins "Willem-Alexander" noemde, als en soort eerherstel voor de ziekelijke kroonprins van Willem III, die door zijn vader op onvoorstelbaar schandalige wijze was behandeld. Alexander? Wie is dat? O, die van de televisie-serie, wat voor prins was dat ook alweer?
De populariteit van Oranje is het resultaat van een intensieve reclame-campagne die sinds de regeerperiode van koningin-regentes Emma over het volk is uitgestort door de protestantse en liberale elite, als psychologische beschermingsdeken tegen allerlei grote buitenlandse gevaren: het Roomse gevaar en het Rode Gevaar waren daarvan de voornaamste. Vakbonden en de opkomende S.D.A.P., de voorloper van de PvdA, en Rome waren daarbij de boemannen. Na de Rooms-katholieke emancipatie voegde ook de katholieke elite zich in die rij van Oranje-aanbidders, met het oprichten van RK werkliedenverbonden en liefdadigheids-instellingen, zoals de protestanten die ook hadden. In het geheim was voor de echte katholiek echter de paus belangrijker dan Oranje, zo niet bij de oprechte protestant, die Oranje bleef zien als de kracht die het verderfelijke Roomse geloof het land uitdreef. Wilhelmina toonde zich ook een fel bestrijdster van het nazisme, ondanks haar goedkeuring van prins Bernhard als gemaal voor haar dochter, met zijn Duitse CV, dat sympathie voor het nazisme liet zien. Zelfs benoemde zij hem tot opperbevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten in de tijd rond de bevrijding, want ze had in de gaten dat hij, eenmaal prins-gemaal, een Oranje was geworden en als zodanig niet kon worden bekritiseerd, maar op populair makende posten moest worden benoemd.
Sinds die tijd vertoont Oranje, of liever vertonen haar beschermers, de maatschappelijke elite van politiek en zakenleven, een perfecte feeling voor de maatschappelijke krachten die haar op de troon houden en haar positie versterken. Haar familie-geschiedenis is daarbij niet belangrijk, maar wel hoe ze overkomt in een bepaald tijdsgewricht. Zo is nu de tijd van gevaarlijke vakbonden, socialisme en communisme voorbij, en staan economie en commercie op de eerste plaats. Zo ga je inzien, hoe de maatschappelijke elite Oranje voor zijn doeleinden blijft gebruiken, zoals ze dat sinds stadhouder Willem IV al gedaan heeft. Je kunt vraagtekens stellen bij de laatste staatsbezoeken van Beatrix, als je je dat niet voor ogen houdt: ze ging naar steenrijke olievorstendommetjes, waarvan je je af kunt vragen wat Nederland daar nou mee heeft, en ook Willem-Alexander is al bij Putin geweest. Amusement en volksvermaak zijn in deze tijd ook erg belangrijk, zie de feestvierderij en het "Droomboek" (!) rond de inhuldiging van .Willem-Alexander, en de traditionele koninginnedagvieringen. Ook zal Willem-Alexander breed aanwezig zijn op het commerciële amusementsfestijn van de Olympische Winterspelen 2014.
De PR voor Oranje uit zich vooral in de manier waarop de jeugd er kennis mee maakt. Als je kinderen ergens voor wint, of een bepaald beeld voorhoudt, blijven ze dat hun hele leven diep van binnen met zich meedragen. Kinderen kennen koningen uit sprookjes en hebben daar een mooi plaatje bij van rechtvaardigheid, oppermacht, belangrijkheid. En wat zegt de juf op school? Wij hebben óók een koning! En de kinderen op christelijke scholen weten, dat ook Jezus "koning" wordt genoemd. "Gelukkig" hebben ook moslim-kinderen uit Marokko in hun land een geliefde koning, zodat ze met dit begrip ook mooi uit de voeten kunnen, zelfs meer dan met een koningin. Nu, in 2014, wordt koningsdag op een andere datum gevierd dan onder Juliana en Beatrix gebruikelijk was, en staan de kranten alweer vol met bezorgde artikelen over scholen die dan wegens vakantie dicht zijn, en hoe dat dan moet, want een school kan natuurlijk niet zonder koningsdag-spelletjes.
De bescherming van Oranje door politiek en zakenleven gaat zeer ver. Zodra de koning iets politieks zegt of doet, of zodra ruzie of disharmonie binnen de Oranje-familie naar buiten komt, valt al gauw het woord constitutionele crisis. Ook is uitvoerig bij wet geregeld, wie er moet opvolgen of regent zijn wanneer de koning onverhoopt niet meer zou kunnen "regeren". Enkele recente voorbeelden die voor beroering zorgden zijn de keuze van de dochter van en Argentijnse fascist als gemalin, (minister van Staat Max van der Stoel ging naar de aanstaande schoonvader om hem ervan te weerhouden bij het huwelijk aanwezig te zijn), de Lockheed-affaire en de zaak rond gebedsgenezeres Greet Hofman. Ook de té pacifistisch gevonden redevoeringen van Juliana voor de V.N. zorgden voor kromme tenen. Bernhard vond dit schandalig, en dat zorgde weer voor gespannen verhoudingen ten paleize, later kreeg hij zelf een affaire aan zijn broek, die door de politiek met de grootste omzichtigheid werd behandeld. Gezucht en gesteun bij de politiek ook weer bij de rechtszaak van de nicht van de koningin en haar man tegen haar tante.
Het volk maakt dit alles niet zoveel uit, het hoort nu eenmaal bij het leven van een super-rijke familie, en het aanzien van Oranje wordt er niet of nauwelijks door verstoord. Integendeel, men leeft mee, zoals men meeleeft met de mensen in een TV-serie.
Wat is dat toch, die overbezorgdheid van vooral de politiek, om een koninkrijk te behouden onder een koning die vrijwel niets heeft in te brengen in het landsbestuur, hoewel hij daar wel het opperhoofd van is? Waarom grijpt de politiek niet de eerste de beste gelegenheid aan om er een eind aan te maken? Allereerst natuurlijk de vrees voor stemmenverlies, en ten tweede het landsbelang in economische zin, tot uiting komend in lucratieve opdrachten na een staatsbezoek.
1. Vrees voor stemmenverlies.
Het klinkt paradoxaal, maar hoe minder macht de koning in het landsbestuur heeft, des te machtiger wordt hij in het land zelf, als schijnbaar noodzakelijke voorwaarde voor een goed bestuur. De koning mag niets zeggen dat politiek beladen is, andersom mag een kamerlid bij stilzwijgende afspraak niets kritisch over de koning of het koningshuis zeggen. Beide zijn eigenlijk een onjuiste interpretatie van de grondwettelijke bepaling dat de koning onschendbaar is, en de ministers verantwoordelijk. Stel de koning zegt iets politieks, bijvoorbeeld een mening over de bezuinigingen, of over welke kant het op zou moeten met Europa. (Beatrix heeft al eens voorzichtig iets algemeens over Europa gezegd, wat zonder gevolgen bleef). Dat kan twee soorten gevolgen hebben:
a. De minister is verantwoordelijk, de koning onschendbaar. De oppositie gaat in de Tweede Kamer vragen, of de minister het eens is met de koning en zo ja, waarom en zo nee, waarom niet. Dit heeft louter het karakter van politieke profilering, want de wens of het idee van de koning heeft op zichzelf geen politieke gevolgen: de koning kan geen wetten indienen of wijzigen, laat staan afkondigen. Zijn handtekening onder wetten is puur decoratie. De minister zal gewoon antwoorden en hoogstens zeggen dat het de persoonlijke mening van de koning is, die mag hij hebben, en de Kamer gaat over tot de orde van de dag.
b. Omdat de koning populair is en puur ook omdat hij staatshoofd is, kan hij met het uiten van een politieke mening wel de verkiezingsuitslag en dus de mening van kiezers beïnvloeden, en dat is uit den boze, want hij is koning voor alle Nederlanders. Het staat nergens in de Grondwet, maar de koning wordt bij ongeschreven wet geacht "boven de partijen" te staan. Alleen in het aller- aller-uiterste extreme geval, als Nederland bijvoorbeeld wordt bezet door een buitenlandse mogendheid of wanneer half Nederland overstroomd wordt, enz. wordt van hem een mening verwacht. Ik ga hier straks nog even op door, nu volsta ik met de constatering dat hij altijd zijn mond houdt over politieke aangelegenheden, omdat hij volgens een ongeschreven wet "boven de partijen" staat, en dat zijn zwijgen hierover niet wordt bepaald door de geschreven wet dat hij onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk.
2. Het landsbelang in economische zin.
De economie van het land is sinds enkele decennia de voornaamste reden geworden voor een staatsbezoek. Staatsbezoeken zijn uitgebreide manifestaties, en zijn in de negentiende eeuw ontstaan, met de uitbreiding van de reis- en transportmogelijkheden. Daarvóór reisden vorsten voornamelijk incognito, als ze al op reis gingen, wat een zeldzaamheid was. Staatsbezoeken worden langzamerhand noodzaak gevonden, omdat alle belangrijke landen elkaar op die manier bezoeken, en het vreemd wordt gevonden om daar als land niet aan mee te doen, je zou dan minder meetellen. Vooral als het een vorst betreft, zijn staatsbezoeken enorm kostbaar en uitgebreid, een vorst haalt alles uit de kast om "indruk te maken". Het niet indruk willen of kunnen maken door de ontvangende, maar ook de bezoekende vorst, kan als onbeleefdheid of karigheid worden opgevat, en dat moet natuurlijk ten koste van alles worden vermeden. Alleen Wilhelmina hield niet van staatsbezoeken, slechts enkele landen mochten zich in haar bezoek verheugen, waaronder België. Juliana en Beatrix daarentegen bezochten een lange lijst van landen, het bezoek aan Engeland wordt in Wikipedia beschreven als bijzonder uitgebreid en luxueus, met het overvliegen van 110 personeelsleden en een overvloed aan maaltijd-ingrediënten en tafelgerei. Critici stellen vragen bij het economisch nut van staatsbezoeken. Weliswaar volgen uit een staatsbezoek nuttige economische contacten, maar de vraag is of zij zonder zo'n bezoek niet evengoed tot stand gekomen zouden zijn, wat zeker geldt voor bezoeken aan en van Europese landen. Ik neig ertoe om het verschijnsel "staatsbezoek" te zien als overblijfsel van de grote staat die vorsten voerden toen ze nog wat hadden in te brengen. Ze zijn "symbolisch" geworden, en dat heeft ook weer te maken met ongeschreven regels.
Conclusie: Het Nederlandse koningschap is met de Grondwet van 1848 gereduceerd van reëel vorst tot "ere-staatshoofd" dat in naam staatshoofd is, en net als daarvóór erfelijk blijft en dat een vorstelijke staat mag voeren (bijvoorbeeld het bezit van een enorm en geheim privé-vermogen, en vorstelijke staats-uitkering voor alle individuele leden van het koningshuis en het niet hoeven betalen van belasting) en gunsten zoals onderscheidingen kan uitdelen, een bijzondere band met het leger en het aanwezig zijn bij nationale evenementen. Niettemin blijft het een verankering van de nationale identiteit, dankzij de grote eerbied die allerwegen voor de vorst en zijn familie wordt betoond, en die louter is gebaseerd op het lidmaatschap van die familie. Nog steeds zien we in Nederland de oude koning Willem I, maar dan zonder diens macht. De elite heeft sinds de revolutionaire beroeringen in het midden van de negentiende eeuw naar het volk toe angstvallig het beeld van een almachtig en alwijs vorst, de opvolger van Willem van Oranje, besluitvaardig, barmhartig en daadkrachtig, in stand gehouden, en de liefde voor Oranje te allen tijde gepredikt. In landen waar de maatschappelijke elite dit verzuimde, zien we ook wankele vorstenhuizen, zoals in België en Spanje. Na de vreselijke koning Willem III moest een dergelijke blunder worden voorkomen om dit beeld te herstellen, en Wilhelmina werd inderdaad de kordate en besluitvaardige vorstin die men voor ogen had. Zij was ook het voorbeeld voor Beatrix, die zich geërgerd moet hebben aan de gewoonheid, het pacifisme en het openstaan voor spirituele invloeden van haar moeder.
De koning politiek boven de partijen? We hebben gezien, dat Oranje vooral is opgehemeld en ondersteund in eendrachtige samenwerking tussen de protestantse kerken en de liberalen, en het vermoeden is zeer gewettigd, dat dit gebeurde om eerst de revolutionaire republikeinen, en later de socialisten te bestrijden. Wie tegen Oranje was, was zo'n beetje een landverrader, ook al had de vorst, het zij herhaald, staatsrechtelijk niets in te brengen.
De Roomse en socialistische bedreigingen zijn anno 2014 verleden tijd, maar Oranje is intussen traditie geworden, een onderdeel van de nationale identiteit. Hoewel in de eerste decennia van het koninkrijk het de gewoonste zaak van de wereld was (hoewel niet in dank afgenomen) om kritiek te hebben op het koningschap (als het maar geen majesteitsschennis werd, dat was strafbaar), is dat nu een marginaal verschijnsel geworden, dat tot arrestaties leidt van kleine groepjes vreedzame demonstranten die voor de Republiek pleiten tijdens een openbaar Oranje-festijn, en het buiten-proportioneel zwaar straffen van een zonderling die tijdens een jaarlijks theaterstuk ("Rit naar de Staten-Generaal") een theelichtjes-houder naar de Gouden Koets wierp. Deze man herinnerde terecht aan de vele kinken en losse schakels in de afstamming van de Oranjes, maar werd daarin steeds genegeerd: men wil gewoon niet horen of publiceren, dat de huidige "Oranjes" gewoon nakomelingen zijn van lagere Duitse adel, en al helemaal niet van Willem de Zwijger, en dat de mannelijke overdracht van de familienaam bij speciale wet voor de Oranjes niet geldt, maar voor iedere andere Nederlander of Nederlandse tot voor kort wel. Oranje is volksvermaak geworden, of, als men dat te oneerbiedig vindt, een stukje Nederlands cultureel erfgoed, goed om enkele malen per jaar een theaterstuk op te voeren, vorstelijk betaald en als staatshoofd geëerbiedigd en door het volk toegejuicht te worden.
Abonneren op:
Posts (Atom)
